BWBR0005858
Geldig vanaf 2012-07-12
Artikel 3
Stortbesluit bodembescherming
1. Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat het storten van afvalstoffen zodanig plaatsvindt dat de gestorte afvalstoffen - na zetting van de bodem - niet beneden 0,7 meter boven de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand kunnen geraken.
2. In afwijking van het eerste lid verbindt het bevoegd gezag in gevallen waarin het ingevolge artikel 4, eerste lid, aan de vergunning voorschriften heeft verbonden, inhoudende de verplichting dat als onderdeel van de onderafdichting een capillair onderbrekende laag van ten minste 0,2 meter wordt aangebracht, aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat het storten van afvalstoffen zodanig plaatsvindt dat de gestorte afvalstoffen - na zetting van de bodem - niet beneden 0,5 meter boven de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand kunnen geraken.
3. Indien het niet meer mogelijk is te voldoen aan voorschriften als opgenomen in het eerste lid onderscheidenlijk het tweede lid, kan het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid onderscheidenlijk het tweede lid aan de vergunning voorschriften verbinden, inhoudende de verplichting dat daarin aangegeven civieltechnische of geohydrologische maatregelen worden getroffen, die eveneens voldoende waarborgen bieden dat het grondwater niet met de gestorte afvalstoffen in contact kan komen.
2. In afwijking van het eerste lid verbindt het bevoegd gezag in gevallen waarin het ingevolge artikel 4, eerste lid, aan de vergunning voorschriften heeft verbonden, inhoudende de verplichting dat als onderdeel van de onderafdichting een capillair onderbrekende laag van ten minste 0,2 meter wordt aangebracht, aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat het storten van afvalstoffen zodanig plaatsvindt dat de gestorte afvalstoffen - na zetting van de bodem - niet beneden 0,5 meter boven de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand kunnen geraken.
3. Indien het niet meer mogelijk is te voldoen aan voorschriften als opgenomen in het eerste lid onderscheidenlijk het tweede lid, kan het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid onderscheidenlijk het tweede lid aan de vergunning voorschriften verbinden, inhoudende de verplichting dat daarin aangegeven civieltechnische of geohydrologische maatregelen worden getroffen, die eveneens voldoende waarborgen bieden dat het grondwater niet met de gestorte afvalstoffen in contact kan komen.