BWBR0009768
Geldig vanaf 2004-04-19
Artikel 13
Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers
1. In afwijking van het bepaalde in artikel 6, zendt het college van burgemeester en wethouders voor 1 juli 2005 aan Onze Minister een schriftelijk verslag over de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage is verstrekt.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, deelt het college van burgemeester en wethouders Onze Minister het in artikel 2, eerste lid, bedoelde aantal verklaringen en beschikkingen met betrekking tot het jaar 2004 mede voor 1 juli 2005. De gegevens zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn zijn verstrekt, stelt Onze Minister het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid deze binnen drie weken alsnog te verstrekken.
4. Indien het college van burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn verstrekt, wordt de rijksbijdrage voor het jaar 2004 volgens artikel 2berekend, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de helft van het aantal verklaringen en beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma op grond waarvan de rijksbijdrage voor die gemeente is berekend in 2001.
5. Het college van burgemeester en wethouders dient bij Onze Minister voor 1 juli 2005 een financiële verantwoording in waaruit blijkt:
a. dat de rijksbijdrage voor het jaar 2004 rechtmatig is aangewend;
b. of, en zo ja op welke wijze, het deel van de rijksbijdrage 2004 dat was bestemd voor educatieve programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet geheel of gedeeltelijk is aangewend voor het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de wet;
c. of, en zo ja op welke wijze, het deel van de rijksbijdrage 2004 dat was bestemd voor het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de wet geheel of gedeeltelijk is aangewend voor educatieve programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet;
d. of, en zo ja op welke wijze, een gedeelte van de rijksbijdrage 2004 is bestemd voor opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
e. of, en zo ja op welke wijze, een gedeelte van de rijksbijdrage 2004 is bestemd voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel k, van de Welzijnswet 1994;
f. of, en zo ja op welke wijze, een gedeelte van de rijksbijdrage 2004 is gereserveerd ten behoeve van educatieve programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet of ten behoeve van het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de wet;
g. in voorkomende gevallen de stand van de reserveringen en de toevoegingen en onttrekkingen aan de reserve, alsmede,
h. in voorkomende gevallen dat het college van burgemeester en wethouders middelen die zijn verstrekt op grond van de Welzijnswet 1994 of op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs wat opleidingen educatie betreft, heeft aangewend voor inburgering van nieuwkomers.
6. De financiële verantwoording wordt ingericht volgens een door Onze Minister vastgesteld model en is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 4, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
7. In geval toepassing is gegeven aan artikel 5vermeldt de gemeente die de rijksbijdragen voor het jaar 2004 verantwoordt in de financiële verantwoording de verdeling van de in artikel 2bedoelde aantallen verklaringen en genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma over de samenwerkende gemeenten.
8. In geval toepassing is gegeven aan artikel 5vermeldt de in het zevende lid bedoelde gemeente in de financiële verantwoording de bedragen die zijn ontvangen van de andere gemeente of gemeenten alsmede de in de artikel 2, eerste lid, bedoelde gegevens met betrekking tot die andere gemeente of gemeenten.
9. Het bepaalde in artikel 4, vierde lid, is niet van toepassing met betrekking tot de voor een gemeente vastgestelde rijksbijdrage voor het jaar 2004.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, deelt het college van burgemeester en wethouders Onze Minister het in artikel 2, eerste lid, bedoelde aantal verklaringen en beschikkingen met betrekking tot het jaar 2004 mede voor 1 juli 2005. De gegevens zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn zijn verstrekt, stelt Onze Minister het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid deze binnen drie weken alsnog te verstrekken.
4. Indien het college van burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn verstrekt, wordt de rijksbijdrage voor het jaar 2004 volgens artikel 2berekend, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de helft van het aantal verklaringen en beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma op grond waarvan de rijksbijdrage voor die gemeente is berekend in 2001.
5. Het college van burgemeester en wethouders dient bij Onze Minister voor 1 juli 2005 een financiële verantwoording in waaruit blijkt:
a. dat de rijksbijdrage voor het jaar 2004 rechtmatig is aangewend;
b. of, en zo ja op welke wijze, het deel van de rijksbijdrage 2004 dat was bestemd voor educatieve programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet geheel of gedeeltelijk is aangewend voor het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de wet;
c. of, en zo ja op welke wijze, het deel van de rijksbijdrage 2004 dat was bestemd voor het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de wet geheel of gedeeltelijk is aangewend voor educatieve programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet;
d. of, en zo ja op welke wijze, een gedeelte van de rijksbijdrage 2004 is bestemd voor opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
e. of, en zo ja op welke wijze, een gedeelte van de rijksbijdrage 2004 is bestemd voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel k, van de Welzijnswet 1994;
f. of, en zo ja op welke wijze, een gedeelte van de rijksbijdrage 2004 is gereserveerd ten behoeve van educatieve programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet of ten behoeve van het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de wet;
g. in voorkomende gevallen de stand van de reserveringen en de toevoegingen en onttrekkingen aan de reserve, alsmede,
h. in voorkomende gevallen dat het college van burgemeester en wethouders middelen die zijn verstrekt op grond van de Welzijnswet 1994 of op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs wat opleidingen educatie betreft, heeft aangewend voor inburgering van nieuwkomers.
6. De financiële verantwoording wordt ingericht volgens een door Onze Minister vastgesteld model en is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 4, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
7. In geval toepassing is gegeven aan artikel 5vermeldt de gemeente die de rijksbijdragen voor het jaar 2004 verantwoordt in de financiële verantwoording de verdeling van de in artikel 2bedoelde aantallen verklaringen en genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma over de samenwerkende gemeenten.
8. In geval toepassing is gegeven aan artikel 5vermeldt de in het zevende lid bedoelde gemeente in de financiële verantwoording de bedragen die zijn ontvangen van de andere gemeente of gemeenten alsmede de in de artikel 2, eerste lid, bedoelde gegevens met betrekking tot die andere gemeente of gemeenten.
9. Het bepaalde in artikel 4, vierde lid, is niet van toepassing met betrekking tot de voor een gemeente vastgestelde rijksbijdrage voor het jaar 2004.