BWBR0009768
Geldig vanaf 2004-04-19
Artikel 4
Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers
1. Het college van burgemeester en wethouders deelt Onze Minister voor 1 april van het jaar volgend op het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft het in artikel 2, eerste lid, bedoelde aantal verklaringen en beschikkingen mede. De gegevens zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid niet voor de in het eerste lid genoemde termijn door Onze Minister zijn ontvangen, wordt het college van burgemeester en wethouders binnen een door Onze Minister te bepalen termijn in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen.
3. Indien Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid niet voor 1 juli van het in het eerste lid bedoelde jaar heeft ontvangen, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast op nihil.
4. Onverminderd het bepaalde in het derde lid, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast voor 1 oktober van het jaar volgend op het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.
5. De rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. De vastgestelde rijksbijdrage kan worden verhoogd of verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het desbetreffende jaar.
6. Het bedrag van de vastgestelde rijksbijdrage wordt binnen twaalf maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald onder verrekening van het ingevolge artikel 3, eerste lid, aan die gemeente verleende voorschot.
7. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven voor het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
8. Ten behoeve van de verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid stelt Onze Minister een controleprotocol vast. Aan Onze Minister wordt op diens verzoek inzicht gegeven in de gegevens die bij de controle op enigerlei wijze een rol spelen, en in de controlerapporten van de accountant.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid niet voor de in het eerste lid genoemde termijn door Onze Minister zijn ontvangen, wordt het college van burgemeester en wethouders binnen een door Onze Minister te bepalen termijn in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen.
3. Indien Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid niet voor 1 juli van het in het eerste lid bedoelde jaar heeft ontvangen, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast op nihil.
4. Onverminderd het bepaalde in het derde lid, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast voor 1 oktober van het jaar volgend op het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.
5. De rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. De vastgestelde rijksbijdrage kan worden verhoogd of verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het desbetreffende jaar.
6. Het bedrag van de vastgestelde rijksbijdrage wordt binnen twaalf maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald onder verrekening van het ingevolge artikel 3, eerste lid, aan die gemeente verleende voorschot.
7. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven voor het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
8. Ten behoeve van de verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid stelt Onze Minister een controleprotocol vast. Aan Onze Minister wordt op diens verzoek inzicht gegeven in de gegevens die bij de controle op enigerlei wijze een rol spelen, en in de controlerapporten van de accountant.