BWBR0009768
Geldig vanaf 2004-04-19
Artikel 3
Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers
1. Onze Minister verleent jaarlijks een voorschot op de rijksbijdrage aan een gemeente.
2. Het voorschot wordt berekend op de grondslag van:
a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen, uitgereikt in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;
b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in dat tweede jaar een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen.
3. Het voorschot voor een gemeente wordt berekend met de formule [ ( e × f ) + ( g × h ) ] × i waarin wordt voorgesteld:
– met de letter e: het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;
– met de letter f: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;
– met de letter g: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;
– met de letter h: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een inburgeringsprogramma;
– met de letter i: de jaarlijks door Onze Minister vastgestelde correctiefactor.
4. Het voorschot wordt vastgesteld voor 1 oktober voorafgaande aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.
5. Het voorschot wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. Het voorschot kan worden verhoogd of verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het jaar waarin het voorschot wordt verleend.
2. Het voorschot wordt berekend op de grondslag van:
a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen, uitgereikt in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;
b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in dat tweede jaar een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen.
3. Het voorschot voor een gemeente wordt berekend met de formule [ ( e × f ) + ( g × h ) ] × i waarin wordt voorgesteld:
– met de letter e: het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;
– met de letter f: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;
– met de letter g: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;
– met de letter h: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een inburgeringsprogramma;
– met de letter i: de jaarlijks door Onze Minister vastgestelde correctiefactor.
4. Het voorschot wordt vastgesteld voor 1 oktober voorafgaande aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.
5. Het voorschot wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. Het voorschot kan worden verhoogd of verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het jaar waarin het voorschot wordt verleend.