BWBR0012002
Geldig vanaf 2024-11-21
Artikel 3.34c
Voorschrift Vreemdelingen 2000
1. In afwijking van artikel 3.34en 3.34ais de vreemdeling geen leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van artikel 3.51, derde lid, van het Besluiten artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, in verband met een gezagsbeëindiging.
2. In afwijking van artikel 3.34en 3.34ais de vreemdeling voor een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluiten artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, in verband met een ondertoezichtstelling, in een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van artikel 3.51, derde lid, van het Besluiten artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, in verband met een ondertoezichtstelling, een bedrag van € 81 verschuldigd.
2. In afwijking van artikel 3.34en 3.34ais de vreemdeling voor een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluiten artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, in verband met een ondertoezichtstelling, in een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van artikel 3.51, derde lid, van het Besluiten artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, in verband met een ondertoezichtstelling, een bedrag van € 81 verschuldigd.