BWBR0012002
Geldig vanaf 2024-11-21
Artikel 4.1
Voorschrift Vreemdelingen 2000
1. Met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen zijn belast:
a. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar zijn als bedoeld in artikel 142 Wetboek van Strafvordering en die ingevolge een akte en proces-verbaal van beëdiging van de Minister van Veiligheid en Justitie zijn belast met opsporing van een of meer strafbare feiten ingevolge de Wet;
b. de ambtenaren, bedoeld onder a, die zijn belast met de opsporing van andere dan de in dat onderdeel bedoelde strafbare feiten;
c. de ambtenaren van de Dienst Terugkeer en Vertrek die de functie hebben van senior medewerker behandelen en ontwikkelen of medewerker behandelen en ontwikkelen;
d. de ambtenaren van de Dienst Vervoer en Ondersteuning die tevens zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar in de zin van artikel 2 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer en Ondersteuning 2024;
e. de ambtenaren van de directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap en de directie Dienstverlenen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst in de functie van: 1. medewerker of senior medewerker behandelen en ontwikkelen;
2. medewerker verwerken en behandelen;
3. (senior) inspecteur/medewerker toezicht;
4. operationeel manager; en
5. manager, voor zover het de naleving van artikel 3.22 van het Besluit betreft;
1. medewerker of senior medewerker behandelen en ontwikkelen;
2. medewerker verwerken en behandelen;
3. (senior) inspecteur/medewerker toezicht;
4. operationeel manager; en
5. manager,
f. de ambtenaren van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers die de functie hebben van medewerker verwerken en behandelen.
2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in artikel 106a, derde lid, van de Wet.
3. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder c, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, en de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 50, 50aen 52 van de Weten de artikelen 4.23en 4.45 van het Besluit.
4. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder d, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, en de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 50, 50aen 106a, derde lid, van de Wet.
5. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder f, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, en de bevoegdheden, genoemd in artikel 55 van de Wet.
a. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar zijn als bedoeld in artikel 142 Wetboek van Strafvordering en die ingevolge een akte en proces-verbaal van beëdiging van de Minister van Veiligheid en Justitie zijn belast met opsporing van een of meer strafbare feiten ingevolge de Wet;
b. de ambtenaren, bedoeld onder a, die zijn belast met de opsporing van andere dan de in dat onderdeel bedoelde strafbare feiten;
c. de ambtenaren van de Dienst Terugkeer en Vertrek die de functie hebben van senior medewerker behandelen en ontwikkelen of medewerker behandelen en ontwikkelen;
d. de ambtenaren van de Dienst Vervoer en Ondersteuning die tevens zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar in de zin van artikel 2 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer en Ondersteuning 2024;
e. de ambtenaren van de directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap en de directie Dienstverlenen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst in de functie van: 1. medewerker of senior medewerker behandelen en ontwikkelen;
2. medewerker verwerken en behandelen;
3. (senior) inspecteur/medewerker toezicht;
4. operationeel manager; en
5. manager, voor zover het de naleving van artikel 3.22 van het Besluit betreft;
1. medewerker of senior medewerker behandelen en ontwikkelen;
2. medewerker verwerken en behandelen;
3. (senior) inspecteur/medewerker toezicht;
4. operationeel manager; en
5. manager,
f. de ambtenaren van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers die de functie hebben van medewerker verwerken en behandelen.
2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in artikel 106a, derde lid, van de Wet.
3. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder c, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, en de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 50, 50aen 52 van de Weten de artikelen 4.23en 4.45 van het Besluit.
4. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder d, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, en de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 50, 50aen 106a, derde lid, van de Wet.
5. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder f, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, en de bevoegdheden, genoemd in artikel 55 van de Wet.