BWBR0012002
Geldig vanaf 2024-11-21
Artikel 3.34g
Voorschrift Vreemdelingen 2000
1. Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wetof een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, is de vreemdeling een bedrag van € 243 verschuldigd.
2. In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling van Turkse nationaliteit aan wie het verrichten van arbeid is toegestaan ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wetof een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, een bedrag van € 81 verschuldigd.
3. In afwijking van het eerste lid is het toegelaten gezinslid van een vreemdeling als bedoeld in het tweede lid, ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wetof een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, een bedrag van € 81 verschuldigd.
4. Ter zake van de afgifte ter uitvoering van artikel 4.22, tweede lid, van het Besluit, van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder b en e, van de Wetblijkt, is de vreemdeling een bedrag van € 81 verschuldigd.
2. In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling van Turkse nationaliteit aan wie het verrichten van arbeid is toegestaan ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wetof een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, een bedrag van € 81 verschuldigd.
3. In afwijking van het eerste lid is het toegelaten gezinslid van een vreemdeling als bedoeld in het tweede lid, ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wetof een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, een bedrag van € 81 verschuldigd.
4. Ter zake van de afgifte ter uitvoering van artikel 4.22, tweede lid, van het Besluit, van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder b en e, van de Wetblijkt, is de vreemdeling een bedrag van € 81 verschuldigd.