BWBR0012588
Geldig vanaf 01-01-2002
Artikel 10
Verordening op de Raad voor Geschillen
1. De Raad neemt een geschil slechts in behandeling:
a. indien een lid van de NOvAA een geschil met een derde heeft voorgelegd en partijen de Raad hebben laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen;
b. indien een derde een geschil met een lid van de NOvAA heeft voorgelegd en deze derde de Raad heeft laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen. Leden van de NOvAA zijn in dit geval gehouden mee te werken aan de procedure en zich aan de uitspraak van de Raad te onderwerpen, tenzij zij zich beroepen op het bepaalde in lid 2 van dit artikel;
c. in alle overige gevallen indien partijen de Raad hebben laten weten dat zij zich aan de uitspraak van de Raad zullen onderwerpen;
d. indien eiser hem een gemotiveerde conclusie, waaruit de inhoud van het geschil duidelijk blijkt, heeft doen toekomen;
e. indien de verweerder op de conclusie van eis gemotiveerd heeft geantwoord of daartoe behoorlijk in de gelegenheid is gesteld.
2. Alvorens de Raad een lid van de NOvAA gehouden acht mee te werken aan de procedure en zich te onderwerpen aan de uitspraak, zoals bepaald in het eerste lid onder b, wordt dat lid schriftelijk een termijn gegund van één maand om voor beslechting van het geschil door de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen. Indien het betrokken lid de gewone rechtsgang wenst te volgen, maakt hij bij de burgerlijke rechter een procedure aanhangig binnen genoemde termijn en stelt hij eveneens de Raad hiervan binnen genoemde termijn bij aangetekend schrijven in kennis.
3. Aan het gestelde in het eerste lid onder c wordt geacht te zijn voldaan, indien partijen zijn overeengekomen, dat zij geschillen die tussen hen kunnen rijzen met uitsluiting van de gewone rechter aan de uitspraak van de Raad zullen onderwerpen.
4. De voorzitter van de Raad beoordeelt of aan de voorwaarden is voldaan.
a. indien een lid van de NOvAA een geschil met een derde heeft voorgelegd en partijen de Raad hebben laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen;
b. indien een derde een geschil met een lid van de NOvAA heeft voorgelegd en deze derde de Raad heeft laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen. Leden van de NOvAA zijn in dit geval gehouden mee te werken aan de procedure en zich aan de uitspraak van de Raad te onderwerpen, tenzij zij zich beroepen op het bepaalde in lid 2 van dit artikel;
c. in alle overige gevallen indien partijen de Raad hebben laten weten dat zij zich aan de uitspraak van de Raad zullen onderwerpen;
d. indien eiser hem een gemotiveerde conclusie, waaruit de inhoud van het geschil duidelijk blijkt, heeft doen toekomen;
e. indien de verweerder op de conclusie van eis gemotiveerd heeft geantwoord of daartoe behoorlijk in de gelegenheid is gesteld.
2. Alvorens de Raad een lid van de NOvAA gehouden acht mee te werken aan de procedure en zich te onderwerpen aan de uitspraak, zoals bepaald in het eerste lid onder b, wordt dat lid schriftelijk een termijn gegund van één maand om voor beslechting van het geschil door de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen. Indien het betrokken lid de gewone rechtsgang wenst te volgen, maakt hij bij de burgerlijke rechter een procedure aanhangig binnen genoemde termijn en stelt hij eveneens de Raad hiervan binnen genoemde termijn bij aangetekend schrijven in kennis.
3. Aan het gestelde in het eerste lid onder c wordt geacht te zijn voldaan, indien partijen zijn overeengekomen, dat zij geschillen die tussen hen kunnen rijzen met uitsluiting van de gewone rechter aan de uitspraak van de Raad zullen onderwerpen.
4. De voorzitter van de Raad beoordeelt of aan de voorwaarden is voldaan.
- Citeren als
- Art. 10
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0012588
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl