BWBR0012588
Geldig vanaf 01-01-2002
Artikel 8
Verordening op de Raad voor Geschillen
1. Het is aan de leden van de Raad en (plaatsvervangend) secretaris van de Raad verboden:
a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen direct of indirect bekend te maken;
b. op enigerlei wijze de gevoelens te openbaren die in de Raad over aanhangige geschillen zijn geuit;
c. om met betrekking tot een voor hen aanhangig geschil of een geschil dat naar hun weten of vermoeden voor hen aanhangig gemaakt zal worden, buiten de behandeling van het geschil door de Raad, deel te nemen in enig onderhoud, gesprek of samenkomst met belanghebbenden of van hen enige inlichting of schriftelijk stuk betreffende het geschil aan te nemen.
2. Indien een lid of (plaatsvervangend) secretaris van de Raad een in het vorige lid genoemd verbod overtreedt, kan hij op verzoek van één of meer leden van de Raad of van één of beide partijen worden uitgesloten van (verdere) deelneming aan de behandeling van het geschil in verband waarmee de overtreding heeft plaatsgevonden.
3. Over een verzoek tot uitsluiting als bedoeld in het vorige lid, beslist de voorzitter van de Raad. Betreft het verzoek tot uitsluiting de voorzitter, dan beslist de plaatsvervangend voorzitter.
a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen direct of indirect bekend te maken;
b. op enigerlei wijze de gevoelens te openbaren die in de Raad over aanhangige geschillen zijn geuit;
c. om met betrekking tot een voor hen aanhangig geschil of een geschil dat naar hun weten of vermoeden voor hen aanhangig gemaakt zal worden, buiten de behandeling van het geschil door de Raad, deel te nemen in enig onderhoud, gesprek of samenkomst met belanghebbenden of van hen enige inlichting of schriftelijk stuk betreffende het geschil aan te nemen.
2. Indien een lid of (plaatsvervangend) secretaris van de Raad een in het vorige lid genoemd verbod overtreedt, kan hij op verzoek van één of meer leden van de Raad of van één of beide partijen worden uitgesloten van (verdere) deelneming aan de behandeling van het geschil in verband waarmee de overtreding heeft plaatsgevonden.
3. Over een verzoek tot uitsluiting als bedoeld in het vorige lid, beslist de voorzitter van de Raad. Betreft het verzoek tot uitsluiting de voorzitter, dan beslist de plaatsvervangend voorzitter.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0012588
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl