BWBR0041330
Geldig vanaf 2024-07-01
Artikel 4.1274
Besluit activiteiten leefomgeving
1. Grond of baggerspecie mag in afwijking van artikel 4.1272, eerste en tweede lid, ook volgens het tweede, derde en vierde lid van dit artikel worden toegepast als sprake is van:
a. het aanleggen van een weg of spoorweg, met uitzondering van een bijbehorende geluidswal, als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder a, waarin ten minste 5.000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 0,5 m wordt toegepast;
b. het aanleggen van een geluidswal, bouwwerk of dijk als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder a, waarin ten minste 5.000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 2 m wordt toegepast;
c. het aanleggen van een werk als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder e of f, waarin ten minste 5.000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 2 m wordt toegepast; of
d. het in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een werk als bedoeld onder a tot en met c, die is aangelegd: 1°. na 1 januari 2008 in een oppervlaktewaterlichaam; of
2°. na 1 juli 2008 op of in de landbodem.
1°. na 1 januari 2008 in een oppervlaktewaterlichaam; of
2°. na 1 juli 2008 op of in de landbodem.
2. Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen grond en baggerspecie toegepast van een kwaliteit die voldoet aan:
a. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit emissiearme grond of de kwaliteit emissiearme baggerspecie; en
b. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid, van dat besluit, die gelden voor: 1°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie;
2°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond; of
3°. baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van baggerspecie.
1°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie;
2°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond; of
3°. baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van baggerspecie.
3. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a of c in samenhang met a:
a. wordt op de toegepaste grond of baggerspecie, met uitzondering van grond of baggerspecie die in bermen en taluds wordt toegepast, een aaneengesloten laag bouwstoffen aangebracht en in stand gehouden; en
b. worden in de bermen en taluds tot de dichtst bijgelegen fysieke afscheiding met een afstand van ten hoogste 10 m vanaf de rand van de verharding van de weg of het ballastbed van de spoorweg alleen grond of baggerspecie toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor grond van de kwaliteitsklasse industrie.
4. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder b of c in samenhang met b, wordt op de toegepaste grond of baggerspecie:
a. een aaneengesloten laag bouwstoffen aangebracht en in stand gehouden; of
b. een afdeklaag van grond of baggerspecie aangebracht en in stand gehouden met een laagdikte van ten minste 0,5 m waarin alleen grond of baggerspecie wordt toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de eisen die volgens artikel 4.1272, eerste of tweede lid, gelden voor: 1°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem; of
2°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.
1°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem; of
2°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.
5. Dit artikel is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone.
a. het aanleggen van een weg of spoorweg, met uitzondering van een bijbehorende geluidswal, als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder a, waarin ten minste 5.000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 0,5 m wordt toegepast;
b. het aanleggen van een geluidswal, bouwwerk of dijk als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder a, waarin ten minste 5.000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 2 m wordt toegepast;
c. het aanleggen van een werk als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder e of f, waarin ten minste 5.000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 2 m wordt toegepast; of
d. het in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een werk als bedoeld onder a tot en met c, die is aangelegd: 1°. na 1 januari 2008 in een oppervlaktewaterlichaam; of
2°. na 1 juli 2008 op of in de landbodem.
1°. na 1 januari 2008 in een oppervlaktewaterlichaam; of
2°. na 1 juli 2008 op of in de landbodem.
2. Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen grond en baggerspecie toegepast van een kwaliteit die voldoet aan:
a. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit emissiearme grond of de kwaliteit emissiearme baggerspecie; en
b. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid, van dat besluit, die gelden voor: 1°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie;
2°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond; of
3°. baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van baggerspecie.
1°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie;
2°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond; of
3°. baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van baggerspecie.
3. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a of c in samenhang met a:
a. wordt op de toegepaste grond of baggerspecie, met uitzondering van grond of baggerspecie die in bermen en taluds wordt toegepast, een aaneengesloten laag bouwstoffen aangebracht en in stand gehouden; en
b. worden in de bermen en taluds tot de dichtst bijgelegen fysieke afscheiding met een afstand van ten hoogste 10 m vanaf de rand van de verharding van de weg of het ballastbed van de spoorweg alleen grond of baggerspecie toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor grond van de kwaliteitsklasse industrie.
4. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder b of c in samenhang met b, wordt op de toegepaste grond of baggerspecie:
a. een aaneengesloten laag bouwstoffen aangebracht en in stand gehouden; of
b. een afdeklaag van grond of baggerspecie aangebracht en in stand gehouden met een laagdikte van ten minste 0,5 m waarin alleen grond of baggerspecie wordt toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de eisen die volgens artikel 4.1272, eerste of tweede lid, gelden voor: 1°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem; of
2°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.
1°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem; of
2°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.
5. Dit artikel is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone.