BWBR0041330
Geldig vanaf 2024-07-01
Artikel 4.723a
Besluit activiteiten leefomgeving
1. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden of bij het telen van gewassen in de openlucht.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het lozen aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.
3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. windhaag: barrière van bomen of struiken bedoeld om het verwaaien van spuitvloeistof bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen buiten de locatie waarop de activiteit wordt verricht te beperken;
b. emissiescherm: aaneengesloten voorziening voor het beperken van de drift van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam die: 1°. aan de grond is verankerd;
2°. zo is geplaatst dat geen afdruipende spuitvloeistoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen komen;
3°. is vervaardigd van niet-doorlaatbaar materiaal of van gaas met een windreductie van ten minste 50%; en
4°. ten minste van gelijke hoogte is als die van het te bespuiten gewas en als die van de hoogste in gebruik zijnde spuitdop; en
1°. aan de grond is verankerd;
2°. zo is geplaatst dat geen afdruipende spuitvloeistoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen komen;
3°. is vervaardigd van niet-doorlaatbaar materiaal of van gaas met een windreductie van ten minste 50%; en
4°. ten minste van gelijke hoogte is als die van het te bespuiten gewas en als die van de hoogste in gebruik zijnde spuitdop; en
c. teeltvrije zone: strook tussen de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en het te telen gewas waarop, met uitzondering van grasland, geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel wordt geteeld.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het lozen aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.
3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. windhaag: barrière van bomen of struiken bedoeld om het verwaaien van spuitvloeistof bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen buiten de locatie waarop de activiteit wordt verricht te beperken;
b. emissiescherm: aaneengesloten voorziening voor het beperken van de drift van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam die: 1°. aan de grond is verankerd;
2°. zo is geplaatst dat geen afdruipende spuitvloeistoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen komen;
3°. is vervaardigd van niet-doorlaatbaar materiaal of van gaas met een windreductie van ten minste 50%; en
4°. ten minste van gelijke hoogte is als die van het te bespuiten gewas en als die van de hoogste in gebruik zijnde spuitdop; en
1°. aan de grond is verankerd;
2°. zo is geplaatst dat geen afdruipende spuitvloeistoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen komen;
3°. is vervaardigd van niet-doorlaatbaar materiaal of van gaas met een windreductie van ten minste 50%; en
4°. ten minste van gelijke hoogte is als die van het te bespuiten gewas en als die van de hoogste in gebruik zijnde spuitdop; en
c. teeltvrije zone: strook tussen de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en het te telen gewas waarop, met uitzondering van grasland, geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel wordt geteeld.