BWBR0001975
Geldig vanaf 01-01-1994
Artikel 4a
Octrooigemachtigden-reglement
1. Op tijdstippen, door de Minister van Economische Zaken te bepalen, wordt door de in artikel 4, eerste lid, bedoelde commissie een proeve van bekwaamheid afgenomen.
2. Om aan deze proeve van bekwaamheid te kunnen deelnemen moet de kandidaat aan de commissie overleggen:
a. een diploma als bedoeld in artikel 1, onder a, van de richtlijn, die door een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan Nederland dan wel een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is voorgeschreven om op het grondgebied van die Staat als gemachtigde in octrooizaken op te treden en dat in een Lid-Staat of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is behaald, dan wel
b. een bewijs dat hij het optreden als gemachtigde in octrooizaken gedurende twee jaar tijdens de voorafgaande tien jaren voltijds heeft uitgeoefend in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan Nederland dan wel een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en in het bezit is van een of meer opleidingstitels als bedoeld in artikel 3, onder b, van de richtlijn.
3. Als bewijs dat door de betrokken kandidaat aan het bepaalde in het tweede lid wordt voldaan, aanvaardt de commissie de attesten en documenten die met het oog daarop door de bevoegde autoriteit van de in dat lid bedoelde andere Staat worden verstrekt.
4. Om de proeve van bekwaamheid met goed gevolg af te leggen, moet hij, die zich daaraan onderwerpt, daarbij doen blijken, dat hij de nodige kennis bezit van de Nederlandse wetgeving en de voornaamste internationale regelingen betreffende de industriële eigendom, de voorschriften van die wetgeving en die regelingen praktisch weet toe te passen en bekend is met de beginselen van het Nederlands burgerlijk en handelsrecht, voor zover deze kennis nodig is voor een goed begrip van de Nederlandse wetgeving betreffende de industriële eigendom, met dien verstande dat geen kennis wordt getoetst waarover de betrokkene blijkens de door hem overgelegde diploma's, bewijsstukken of opleidingstitels als bedoeld in het tweede lid reeds beschikt.
5. Artikel 4, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Om aan deze proeve van bekwaamheid te kunnen deelnemen moet de kandidaat aan de commissie overleggen:
a. een diploma als bedoeld in artikel 1, onder a, van de richtlijn, die door een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan Nederland dan wel een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is voorgeschreven om op het grondgebied van die Staat als gemachtigde in octrooizaken op te treden en dat in een Lid-Staat of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is behaald, dan wel
b. een bewijs dat hij het optreden als gemachtigde in octrooizaken gedurende twee jaar tijdens de voorafgaande tien jaren voltijds heeft uitgeoefend in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan Nederland dan wel een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en in het bezit is van een of meer opleidingstitels als bedoeld in artikel 3, onder b, van de richtlijn.
3. Als bewijs dat door de betrokken kandidaat aan het bepaalde in het tweede lid wordt voldaan, aanvaardt de commissie de attesten en documenten die met het oog daarop door de bevoegde autoriteit van de in dat lid bedoelde andere Staat worden verstrekt.
4. Om de proeve van bekwaamheid met goed gevolg af te leggen, moet hij, die zich daaraan onderwerpt, daarbij doen blijken, dat hij de nodige kennis bezit van de Nederlandse wetgeving en de voornaamste internationale regelingen betreffende de industriële eigendom, de voorschriften van die wetgeving en die regelingen praktisch weet toe te passen en bekend is met de beginselen van het Nederlands burgerlijk en handelsrecht, voor zover deze kennis nodig is voor een goed begrip van de Nederlandse wetgeving betreffende de industriële eigendom, met dien verstande dat geen kennis wordt getoetst waarover de betrokkene blijkens de door hem overgelegde diploma's, bewijsstukken of opleidingstitels als bedoeld in het tweede lid reeds beschikt.
5. Artikel 4, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
- Citeren als
- Art. 4a
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001975
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl