Artikel 1
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
"Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
"een inrichting": een inrichting of werk, bestemd tot het onttrekken van grondwater;
"onttrekken van grondwater": onttrekken van grondwater door middel van een inrichting;
"infiltreren van water": water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater.
2. Inrichtingen tot het onttrekken van grondwater die een samenhangend geheel vormen, worden als één inrichting aangemerkt.
3. Deze wet is niet van toepassing op het onttrekken van grondwater:
a. bij de ontwatering of afwatering van gronden;
b. bij of ten behoeve van het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte in de zin van artikel 1 van de Mijnbouwwet, voorzover het onttrekken op een diepte van meer dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem plaatsvindt.
"Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
"een inrichting": een inrichting of werk, bestemd tot het onttrekken van grondwater;
"onttrekken van grondwater": onttrekken van grondwater door middel van een inrichting;
"infiltreren van water": water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater.
2. Inrichtingen tot het onttrekken van grondwater die een samenhangend geheel vormen, worden als één inrichting aangemerkt.
3. Deze wet is niet van toepassing op het onttrekken van grondwater:
a. bij de ontwatering of afwatering van gronden;
b. bij of ten behoeve van het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte in de zin van artikel 1 van de Mijnbouwwet, voorzover het onttrekken op een diepte van meer dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem plaatsvindt.