BWBR0003406
Geldig vanaf 1982-06-01
Artikel 14
Grondwaterwet
1. Het is verboden grondwater te onttrekken of water te infiltreren, tenzij daarvoor door gedeputeerde staten een vergunning is verleend.
2. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van bij het grondwaterbeheer betrokken belangen. Deze voorschriften kunnen mede betrekking hebben op voorafgaande melding van beëindiging of vermindering van het onttrekken of het infiltreren.
3. Bij het verlenen, wijzigen of intrekken van de vergunning wordt rekening gehouden met de in het artikel 7 van de Wet op de waterhuishoudingbedoelde plan.
4. In de vergunning worden vermeld de hoeveelheden grondwater of de hoeveelheden water die per een of meer tijdseenheden mogen worden onttrokken onderscheidenlijk geïnfiltreerd alsmede het doel waarvoor het te onttrekken water is bestemd.
5. De vergunning geldt voor de rechtsopvolgers van de vergunninghouder. Binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de rechtsopvolging dient wijziging van de tenaamstelling te worden gevraagd.
2. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van bij het grondwaterbeheer betrokken belangen. Deze voorschriften kunnen mede betrekking hebben op voorafgaande melding van beëindiging of vermindering van het onttrekken of het infiltreren.
3. Bij het verlenen, wijzigen of intrekken van de vergunning wordt rekening gehouden met de in het artikel 7 van de Wet op de waterhuishoudingbedoelde plan.
4. In de vergunning worden vermeld de hoeveelheden grondwater of de hoeveelheden water die per een of meer tijdseenheden mogen worden onttrokken onderscheidenlijk geïnfiltreerd alsmede het doel waarvoor het te onttrekken water is bestemd.
5. De vergunning geldt voor de rechtsopvolgers van de vergunninghouder. Binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de rechtsopvolging dient wijziging van de tenaamstelling te worden gevraagd.