BWBR0026054
Geldig vanaf 2009-10-01
Artikel 42a
Wet investeren in jongeren
1. De jongere die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op een inkomensvoorziening voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
2. Indien voor de jongere, bedoeld in het eerste lid, recht op een inkomensvoorziening bestaat, heeft die inkomensvoorziening de vorm van een geldlening:
a. indien de inkomensvoorziening over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover de inkomensvoorziening wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid; en
b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de Wet werk en bijstand.
2. Indien voor de jongere, bedoeld in het eerste lid, recht op een inkomensvoorziening bestaat, heeft die inkomensvoorziening de vorm van een geldlening:
a. indien de inkomensvoorziening over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover de inkomensvoorziening wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid; en
b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de Wet werk en bijstand.