BWBR0028547
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 22
Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES
1. Indien de Bank constateert dat een kredietinstelling de krachtens artikel 21 gegeven richtlijnen niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel voor de liquiditeit of solvabiliteit van de instelling gevaarlijk is of gevaarlijk zou kunnen worden, verzoekt de Bank per aangetekende brief de betrokken kredietinstelling de nodige maatregelen te nemen dan wel om ten aanzien van met name gegeven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
2. Indien naar het oordeel van de Bank niet, niet binnen de door de Bank vastgestelde termijn of onvoldoende aan haar verzoek als bedoeld in het eerste lid, gevolg is gegeven, kan de Bank de kredietinstelling per aangetekende brief aanzeggen, dat vanaf een door de Bank te bepalen tijdstip alle of bepaalde organen van de kredietinstelling hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen. De aanzegging wordt terstond van kracht en daaraan dient gevolg te worden gegeven niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.
3. Indien de Bank bij een kredietinstelling tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel voor de liquiditeit of solvabiliteit van de betreffende instelling gevaarlijk is en onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan zij in afwijking van het bepaalde in het eerste lid onmiddellijk aan de kredietinstelling een met redenen omklede aanzegging doen zoals omschreven in het tweede lid; deze aanzegging wordt terstond van kracht nadat de Bank de kredietinstelling in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door de Bank te stellen termijn, haar mening over de onmiddellijke uitvoering te geven.
4. Met betrekking tot een aanzegging als bedoeld in het tweede en het derde lid, is het volgende van toepassing:
a. de organen van de kredietinstelling zijn verplicht de door de Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen;
b. de Bank kan de betrokken organen van de kredietinstelling toestaan bepaalde handelingen zonder goedkeuring als bedoeld in het tweede lid, te verrichten;
c. de door de Bank aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na verzending van de aanzegging, bedoeld in het tweede lid dan wel derde lid. De Bank is bevoegd deze termijn te verlengen telkens voor ten hoogste een jaar. Van zodanige verlenging doet de Bank aan de kredietinstelling mededeling per aangetekende brief. De verlenging wordt terstond van kracht en daaraan behoort gevolg te worden gegeven niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening;
d. de Bank kan te allen tijde de door haar aangewezen personen door anderen vervangen;
e. voor schade ten gevolge van handelingen, verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het tweede en het derde lid, zijn degenen die deze handelingen als orgaan van de kredietinstelling verrichten, persoonlijk aansprakelijk tegenover de kredietinstelling;
f. de Bank deelt de kredietinstelling per aangetekende brief mede, dat de betrokken organen van de kredietinstelling hun bevoegdheid wederom onbeperkt kunnen uitoefenen, zodra zij van oordeel is, dat de solvabiliteit en de liquiditeit van de kredietinstelling niet langer gevaar lopen.
5. De kredietinstelling kan binnen dertig dagen na de dagtekening van de aanzegging als bedoeld in het tweede en derde lid, of van een besluit tot verlenging van de termijn als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, beroep instellen tegen de aanzegging of het besluit overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XI. Het beroep heeft geen schorsende werking.
2. Indien naar het oordeel van de Bank niet, niet binnen de door de Bank vastgestelde termijn of onvoldoende aan haar verzoek als bedoeld in het eerste lid, gevolg is gegeven, kan de Bank de kredietinstelling per aangetekende brief aanzeggen, dat vanaf een door de Bank te bepalen tijdstip alle of bepaalde organen van de kredietinstelling hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen. De aanzegging wordt terstond van kracht en daaraan dient gevolg te worden gegeven niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.
3. Indien de Bank bij een kredietinstelling tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel voor de liquiditeit of solvabiliteit van de betreffende instelling gevaarlijk is en onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan zij in afwijking van het bepaalde in het eerste lid onmiddellijk aan de kredietinstelling een met redenen omklede aanzegging doen zoals omschreven in het tweede lid; deze aanzegging wordt terstond van kracht nadat de Bank de kredietinstelling in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door de Bank te stellen termijn, haar mening over de onmiddellijke uitvoering te geven.
4. Met betrekking tot een aanzegging als bedoeld in het tweede en het derde lid, is het volgende van toepassing:
a. de organen van de kredietinstelling zijn verplicht de door de Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen;
b. de Bank kan de betrokken organen van de kredietinstelling toestaan bepaalde handelingen zonder goedkeuring als bedoeld in het tweede lid, te verrichten;
c. de door de Bank aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na verzending van de aanzegging, bedoeld in het tweede lid dan wel derde lid. De Bank is bevoegd deze termijn te verlengen telkens voor ten hoogste een jaar. Van zodanige verlenging doet de Bank aan de kredietinstelling mededeling per aangetekende brief. De verlenging wordt terstond van kracht en daaraan behoort gevolg te worden gegeven niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening;
d. de Bank kan te allen tijde de door haar aangewezen personen door anderen vervangen;
e. voor schade ten gevolge van handelingen, verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het tweede en het derde lid, zijn degenen die deze handelingen als orgaan van de kredietinstelling verrichten, persoonlijk aansprakelijk tegenover de kredietinstelling;
f. de Bank deelt de kredietinstelling per aangetekende brief mede, dat de betrokken organen van de kredietinstelling hun bevoegdheid wederom onbeperkt kunnen uitoefenen, zodra zij van oordeel is, dat de solvabiliteit en de liquiditeit van de kredietinstelling niet langer gevaar lopen.
5. De kredietinstelling kan binnen dertig dagen na de dagtekening van de aanzegging als bedoeld in het tweede en derde lid, of van een besluit tot verlenging van de termijn als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, beroep instellen tegen de aanzegging of het besluit overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XI. Het beroep heeft geen schorsende werking.
- Citeren als
- Art. 22
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028547
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl