BWBR0028547
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 37
Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES
1. De Bank dient een verzoek tot faillietverklaring van de kredietinstelling in, indien haar blijkt dat de kredietinstelling een negatief eigen vermogen heeft en hetzij het met de noodregeling te bereiken doel is of niet meer kan worden verwezenlijkt, hetzij – indien niet tevoren de noodregeling werd uitgesproken – geen redelijk vooruitzicht meer bestaat dat het met de noodregeling te bereiken doel alsnog kan worden verwezenlijkt.
2. De faillietverklaring wordt uitgesproken ongeacht of de kredietinstelling verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het bepaalde in de eerste titel van de Faillissementswet BES is overigens van toepassing.
3. De noodregeling houdt van rechtswege op van kracht te zijn in geval de kredietinstelling in staat van faillissement wordt verklaard. Alsdan, zomede indien de faillietverklaring wordt uitgesproken binnen een maand na het intrekken van de noodregeling gelden de volgende bepalingen:
a. het tijdstip waarop de termijnen, in de artikelen 39 en 41 van de Faillissementswet BES vermeld, aanvangen, wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de beschikking, houdende het uitspreken van de noodregeling, uitvoerbaar is geworden;
b. een beroep op schuldvergelijking kan in afwijking van artikel 49 van de Faillissementswet BES slechts worden gedaan indien de schuldvordering en de schuldplichtigheid beide zijn ontstaan vóór het tijdstip waarop de beschikking, houdende het uitspreken van de noodregeling uitvoerbaar is geworden dan wel voortvloeien uit een handeling vóór dat tijdstip met de gefailleerde verricht;
c. handelingen, ingevolge artikel 30 door of namens de Bank verricht gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, worden beschouwd als handelingen van de curator, terwijl boedelschulden, gedurende die tijd ontstaan, ook in het faillissement als boedelschulden zullen gelden;
d. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de kredietinstelling die in strijd met artikel 30, eerste en vierde lid, zijn aangegaan gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, dan voor zover deze daardoor is gebaat.
2. De faillietverklaring wordt uitgesproken ongeacht of de kredietinstelling verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het bepaalde in de eerste titel van de Faillissementswet BES is overigens van toepassing.
3. De noodregeling houdt van rechtswege op van kracht te zijn in geval de kredietinstelling in staat van faillissement wordt verklaard. Alsdan, zomede indien de faillietverklaring wordt uitgesproken binnen een maand na het intrekken van de noodregeling gelden de volgende bepalingen:
a. het tijdstip waarop de termijnen, in de artikelen 39 en 41 van de Faillissementswet BES vermeld, aanvangen, wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de beschikking, houdende het uitspreken van de noodregeling, uitvoerbaar is geworden;
b. een beroep op schuldvergelijking kan in afwijking van artikel 49 van de Faillissementswet BES slechts worden gedaan indien de schuldvordering en de schuldplichtigheid beide zijn ontstaan vóór het tijdstip waarop de beschikking, houdende het uitspreken van de noodregeling uitvoerbaar is geworden dan wel voortvloeien uit een handeling vóór dat tijdstip met de gefailleerde verricht;
c. handelingen, ingevolge artikel 30 door of namens de Bank verricht gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, worden beschouwd als handelingen van de curator, terwijl boedelschulden, gedurende die tijd ontstaan, ook in het faillissement als boedelschulden zullen gelden;
d. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de kredietinstelling die in strijd met artikel 30, eerste en vierde lid, zijn aangegaan gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, dan voor zover deze daardoor is gebaat.
- Citeren als
- Art. 37
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028547
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl