BWBR0028547
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 28
Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES
1. Wanneer het belang der gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van het bedrijf van een kredietinstelling, wiens vergunning is ingetrokken, een bijzondere voorziening vordert, kan het gerecht op verzoek van de Bank de noodregeling uitspreken.
2. Bij het uitspreken van de noodregeling machtigt het gerecht de Bank zowel tot overdracht van de verbintenissen van de kredietinstelling welke zij in de uitoefening van haar bedrijf als kredietinstelling tot het ter beschikking verkrijgen van gelden heeft aangegaan of van een deel daarvan dan wel tot gehele of gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf van de kredietinstelling. Zolang de Bank nog niet is gebleken dat de kredietinstelling een negatief vermogen heeft strekt de machtiging mede tot vereffening van het vermogen van de kredietinstelling.
3. Het gerecht behandelt het verzoek van de Bank tot het uitspreken van de noodregeling met de meeste spoed op een openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
4. Het gerecht is bevoegd inzage te nemen of te doen nemen van de boeken, bescheiden en andere informatiedragers van de kredietinstelling. Artikel 16, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing.
5. Het gerecht geeft geen beschikking dan na de kredietinstelling en de Bank in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
6. Een door de kredietinstelling tegen de intrekking van een vergunning ingesteld beroep schorst de behandeling van het verzoek van de Bank tot het uitspreken van de noodregeling niet.
7. De beschikking van het gerecht wordt met redenen omkleed en wordt, zo het verzoek van de Bank wordt toegewezen, op een openbare terechtzitting uitgesproken. De griffier maakt de zakelijke inhoud van de beschikking bekend in de Staatscourant.
8. Tegen de beschikking staat generlei voorziening open behoudens cassatie in het belang der wet.
2. Bij het uitspreken van de noodregeling machtigt het gerecht de Bank zowel tot overdracht van de verbintenissen van de kredietinstelling welke zij in de uitoefening van haar bedrijf als kredietinstelling tot het ter beschikking verkrijgen van gelden heeft aangegaan of van een deel daarvan dan wel tot gehele of gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf van de kredietinstelling. Zolang de Bank nog niet is gebleken dat de kredietinstelling een negatief vermogen heeft strekt de machtiging mede tot vereffening van het vermogen van de kredietinstelling.
3. Het gerecht behandelt het verzoek van de Bank tot het uitspreken van de noodregeling met de meeste spoed op een openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
4. Het gerecht is bevoegd inzage te nemen of te doen nemen van de boeken, bescheiden en andere informatiedragers van de kredietinstelling. Artikel 16, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing.
5. Het gerecht geeft geen beschikking dan na de kredietinstelling en de Bank in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
6. Een door de kredietinstelling tegen de intrekking van een vergunning ingesteld beroep schorst de behandeling van het verzoek van de Bank tot het uitspreken van de noodregeling niet.
7. De beschikking van het gerecht wordt met redenen omkleed en wordt, zo het verzoek van de Bank wordt toegewezen, op een openbare terechtzitting uitgesproken. De griffier maakt de zakelijke inhoud van de beschikking bekend in de Staatscourant.
8. Tegen de beschikking staat generlei voorziening open behoudens cassatie in het belang der wet.
- Citeren als
- Art. 28
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028547
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl