BWBR0002460
Geldig vanaf 1999-07-01
Artikel 3c
Ziekenfondswet
1. Verzekerde is voorts degene van 65 jaar of ouder, die zich daartoe heeft aangemeld bij een ziekenfonds indien hij naar de omstandigheden beoordeeld hier te lande woonachtig is, en het inkomen van hem en zijn eventuele echtgenote niet hoger is dan f 39 550 per 1 januari 2005: € 21.000,–. Bij de aanmelding bij een ziekenfonds overlegt de verzekerde een verklaring van de Sociale verzekeringsbank waaruit blijkt dat het inkomen van hem en zijn eventuele echtgenote niet hoger is dan het bedrag genoemd in de eerste volzin.
2. De verzekering ingevolge het eerste lid gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de dag van aanmelding.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomen verstaan het gecorrigeerde verzamelinkomen, onderscheidenlijk het gecorrigeerde belastbare loon. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld welk tijdvak voor de bepaling van het inkomen in aanmerking wordt genomen en worden regels gesteld ter uitvoering van de tweede volzin van het eerste lid.
4. Artikel 3ais van overeenkomstige toepassing op het bedrag, genoemd in het eerste lid.
5. Het eerste lid geldt niet voor degene die op de laatste dag van de maand voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, deelnam aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren als bedoeld in artikel 4, zestiende lid, onder b, of als gezinslid in de zin van die regeling werd aangemerkt.
6. Het gecorrigeerde verzamelinkomen is het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met:
a. indien in het tijdvak de zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001, is toegepast: € 1 355;
b. indien in het tijdvak loon wordt genoten: het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen: 1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 en niet meer dan € 1 605;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487;
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 en niet meer dan € 1 605;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487;
c. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait), maar niet meer dan € 939;
d. indien in het kalenderjaar 2000 loon uit dienstbetrekking wordt genoten: het bedrag van de in dat jaar in aanmerking genomen aftrekbare kosten terzake van inkomsten uit arbeid andere dan kosten van woon-werkverkeer, na toepassing van artikel 37, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met 12% van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in dat jaar, maar met niet minder dan € 119 en met niet meer dan € 1 605;
e. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
f. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen premies voor lijfrenten, maar niet meer dan € 2 804, verminderd met € 1 036, maar niet verder dan tot nihil; indien bij de echtgenoot van degene van wie het gecorrigeerd verzamelinkomen wordt berekend geen premies voor lijfrenten in aanmerking genomen zijn, worden de bedragen van € 2 804 en € 1 036 verhoogd tot € 5 608 respectievelijk € 2 072;
g. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en pleegkinderen van 27 jaar en ouder, alsmede andere bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
7. In het zesde lid wordt onder loon verstaan loon in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.
8. Het gecorrigeerde belastbare loon is het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met:
a. het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen: 1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 en niet meer dan € 1 605;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487;
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 en niet meer dan € 1 605;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487;
b. de bedragen, bedoeld in het zesde lid, onderdelen c tot en met g.
9. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het inkomen voorts verminderd met € 315.
10. De in het zesde lid, onderdelen c tot en met g, en achtste lid, onderdeel b, bedoelde correctieposten, worden over het tijdvak 2001 voor het geheel in aanmerking genomen, over het tijdvak 2002 voor 2/3 deel en over het tijdvak 2003 voor 1/3 deel.
11. Met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt gelijkgesteld:
a. loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid, anders dan ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen behoudens uitkeringen in verband met bevalling, en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
b. loon in de vorm van uitkeringen ingevolge de Wet financiering loopbaanonderbreking en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.
12. Onverminderd het bepaalde in het negende lid wordt over het tijdvak 2004 en volgende tijdvakken, in afwijking van het derde lid, onder inkomen verstaan het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met € 487.
13. De inspecteur, onder wie de verzekerde of zijn eventuele echtgenoot krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingenressorteert voor de heffing van de inkomstenbelasting, bepaalt op verzoek van de Sociale Verzekeringsbank het inkomen, bedoeld in het derde lid, over de tijdvakken 2001, 2002 of 2003 van de desbetreffende verzekerde of zijn eventuele echtgenoot.
14. De in het dertiende lid bedoelde inspecteur verstrekt de gegevens inzake het inkomen bedoeld in het derde lid over de tijdvakken 2001, 2002 of 2003 aan de Sociale verzekeringsbank. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hiervoor nadere regels worden gesteld.
15. Indien het inkomen moet worden bepaald over een aan het kalenderjaar 2001 voorafgaand tijdvak, wordt in afwijking van het derde lid uitgegaan van alle inkomsten waarover ingevolge de artikelen 3 en 48 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 inkomstenbelasting verschuldigd is.
2. De verzekering ingevolge het eerste lid gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de dag van aanmelding.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomen verstaan het gecorrigeerde verzamelinkomen, onderscheidenlijk het gecorrigeerde belastbare loon. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld welk tijdvak voor de bepaling van het inkomen in aanmerking wordt genomen en worden regels gesteld ter uitvoering van de tweede volzin van het eerste lid.
4. Artikel 3ais van overeenkomstige toepassing op het bedrag, genoemd in het eerste lid.
5. Het eerste lid geldt niet voor degene die op de laatste dag van de maand voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, deelnam aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren als bedoeld in artikel 4, zestiende lid, onder b, of als gezinslid in de zin van die regeling werd aangemerkt.
6. Het gecorrigeerde verzamelinkomen is het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met:
a. indien in het tijdvak de zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001, is toegepast: € 1 355;
b. indien in het tijdvak loon wordt genoten: het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen: 1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 en niet meer dan € 1 605;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487;
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 en niet meer dan € 1 605;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487;
c. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait), maar niet meer dan € 939;
d. indien in het kalenderjaar 2000 loon uit dienstbetrekking wordt genoten: het bedrag van de in dat jaar in aanmerking genomen aftrekbare kosten terzake van inkomsten uit arbeid andere dan kosten van woon-werkverkeer, na toepassing van artikel 37, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met 12% van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in dat jaar, maar met niet minder dan € 119 en met niet meer dan € 1 605;
e. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
f. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen premies voor lijfrenten, maar niet meer dan € 2 804, verminderd met € 1 036, maar niet verder dan tot nihil; indien bij de echtgenoot van degene van wie het gecorrigeerd verzamelinkomen wordt berekend geen premies voor lijfrenten in aanmerking genomen zijn, worden de bedragen van € 2 804 en € 1 036 verhoogd tot € 5 608 respectievelijk € 2 072;
g. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en pleegkinderen van 27 jaar en ouder, alsmede andere bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
7. In het zesde lid wordt onder loon verstaan loon in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.
8. Het gecorrigeerde belastbare loon is het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met:
a. het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen: 1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 en niet meer dan € 1 605;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487;
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 en niet meer dan € 1 605;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487;
b. de bedragen, bedoeld in het zesde lid, onderdelen c tot en met g.
9. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het inkomen voorts verminderd met € 315.
10. De in het zesde lid, onderdelen c tot en met g, en achtste lid, onderdeel b, bedoelde correctieposten, worden over het tijdvak 2001 voor het geheel in aanmerking genomen, over het tijdvak 2002 voor 2/3 deel en over het tijdvak 2003 voor 1/3 deel.
11. Met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt gelijkgesteld:
a. loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid, anders dan ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen behoudens uitkeringen in verband met bevalling, en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
b. loon in de vorm van uitkeringen ingevolge de Wet financiering loopbaanonderbreking en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.
12. Onverminderd het bepaalde in het negende lid wordt over het tijdvak 2004 en volgende tijdvakken, in afwijking van het derde lid, onder inkomen verstaan het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met € 487.
13. De inspecteur, onder wie de verzekerde of zijn eventuele echtgenoot krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingenressorteert voor de heffing van de inkomstenbelasting, bepaalt op verzoek van de Sociale Verzekeringsbank het inkomen, bedoeld in het derde lid, over de tijdvakken 2001, 2002 of 2003 van de desbetreffende verzekerde of zijn eventuele echtgenoot.
14. De in het dertiende lid bedoelde inspecteur verstrekt de gegevens inzake het inkomen bedoeld in het derde lid over de tijdvakken 2001, 2002 of 2003 aan de Sociale verzekeringsbank. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hiervoor nadere regels worden gesteld.
15. Indien het inkomen moet worden bepaald over een aan het kalenderjaar 2001 voorafgaand tijdvak, wordt in afwijking van het derde lid uitgegaan van alle inkomsten waarover ingevolge de artikelen 3 en 48 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 inkomstenbelasting verschuldigd is.