BWBR0004809
Geldig vanaf 2005-07-16
Artikel 13b
Wet toezicht beleggingsinstellingen
1. De beheerder waaraan een vergunning is verleend en die het beheer voert over een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6, stelt Onze Minister vooraf in kennis van zijn voornemen de rechten van deelneming in die beleggingsinstelling door het vestigen van een bijkantoor in een andere lidstaat aan te bieden. De kennisgeving gaat vergezeld van:
a. een opgave van de voorgenomen activiteiten en diensten van de beheerder en de organisatiestructuur van het bijkantoor;
b. het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd;
c. de identiteit van de bestuurders van het bijkantoor.
2. Indien Onze Minister, gelet op het voornemen van de beheerder, geen redenen heeft om te twijfelen aan de bedrijfsvoering en de financiële waarborgen van de beheerder, doet Onze Minister binnen drie maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, mededeling van de voornemens van de beheerder aan het bevoegde gezag van de lidstaat van ontvangst.
3. Onze Minister stelt de beheerder in kennis van de mededeling bedoeld in het tweede lid.
4. Indien Onze Minister op grond van het tweede lid weigert de in het eerste lid bedoelde voornemens van de beheerder mede te delen aan het bevoegde gezag van de lidstaat van ontvangst, doet Onze Minister hiervan binnen twee maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving mededeling aan de beheerder.
5. Indien de in het eerste lid bedoelde voornemens of de gegevens, bedoeld in het eerste lid onder a tot en met c, wijzigen, stelt de beheerder Onze Minister schriftelijk van de wijziging in kennis, ten minste één maand voordat de wijziging van toepassing wordt. Het tweede tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
a. een opgave van de voorgenomen activiteiten en diensten van de beheerder en de organisatiestructuur van het bijkantoor;
b. het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd;
c. de identiteit van de bestuurders van het bijkantoor.
2. Indien Onze Minister, gelet op het voornemen van de beheerder, geen redenen heeft om te twijfelen aan de bedrijfsvoering en de financiële waarborgen van de beheerder, doet Onze Minister binnen drie maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, mededeling van de voornemens van de beheerder aan het bevoegde gezag van de lidstaat van ontvangst.
3. Onze Minister stelt de beheerder in kennis van de mededeling bedoeld in het tweede lid.
4. Indien Onze Minister op grond van het tweede lid weigert de in het eerste lid bedoelde voornemens van de beheerder mede te delen aan het bevoegde gezag van de lidstaat van ontvangst, doet Onze Minister hiervan binnen twee maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving mededeling aan de beheerder.
5. Indien de in het eerste lid bedoelde voornemens of de gegevens, bedoeld in het eerste lid onder a tot en met c, wijzigen, stelt de beheerder Onze Minister schriftelijk van de wijziging in kennis, ten minste één maand voordat de wijziging van toepassing wordt. Het tweede tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.