BWBR0004809
Geldig vanaf 2005-07-16
Artikel 16
Wet toezicht beleggingsinstellingen
1. Onze Minister deelt de intrekking of wijziging van een vergunning of ontheffing gelijktijdig mee aan:
a. de beheerder;
b. de bewaarder van iedere beleggingsinstelling waarover de beheerder het beheer voert; en
c. het bevoegde gezag in de overige lidstaten, indien de beheerder het beheer voert over een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6.
2. Een beleggingsmaatschappij die beheerd wordt door een beheerder waarvan de vergunning is ingetrokken wordt op verzoek van Onze Minister door de rechtbank ontbonden.
3. Het vermogen van een beleggingsfonds dat beheerd wordt door een beheerder waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 5is ingetrokken, wordt op verzoek van Onze Minister door een of meer door de rechtbank aan te wijzen vereffenaars vereffend.
4. Een beleggingsmaatschappij of het vermogen van een beleggingsfonds wordt tevens op verzoek van Onze Minister door de rechtbank ontbonden respectievelijk door een of meer door de rechtbank aan te wijzen vereffenaars binnen een door de rechtbank te bepalen termijn vereffend, indien:
a. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt over de beleggingsinstelling zodanig onjuist zijn of onvolledig blijken, of wanneer omstandigheden zich voordoen of feiten bekend worden, op grond waarvan, zo zij zich voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend, hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de beleggingsinstelling niet zou zijn toegestaan haar activiteiten te verrichten;
b. de beleggingsinstelling dan wel de beheerder: 1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de oprichting geen activiteiten heeft verricht;
2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de beleggingsinstelling geen activiteiten zal verrichten;
3°. haar activiteiten gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt, of
4°. kennelijk heeft opgehouden beleggingsinstelling te zijn;
5°. niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet gestelde; of
6°. niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging als bedoeld in artikel 21.
1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de oprichting geen activiteiten heeft verricht;
2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de beleggingsinstelling geen activiteiten zal verrichten;
3°. haar activiteiten gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt, of
4°. kennelijk heeft opgehouden beleggingsinstelling te zijn;
5°. niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet gestelde; of
6°. niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging als bedoeld in artikel 21.
5. De ontbinding, bedoeld in het tweede en vierde lid, en de vereffening, bedoeld in het derde of vierde lid, vindt niet eerder plaats dan nadat het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning onherroepelijk is geworden.
a. de beheerder;
b. de bewaarder van iedere beleggingsinstelling waarover de beheerder het beheer voert; en
c. het bevoegde gezag in de overige lidstaten, indien de beheerder het beheer voert over een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6.
2. Een beleggingsmaatschappij die beheerd wordt door een beheerder waarvan de vergunning is ingetrokken wordt op verzoek van Onze Minister door de rechtbank ontbonden.
3. Het vermogen van een beleggingsfonds dat beheerd wordt door een beheerder waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 5is ingetrokken, wordt op verzoek van Onze Minister door een of meer door de rechtbank aan te wijzen vereffenaars vereffend.
4. Een beleggingsmaatschappij of het vermogen van een beleggingsfonds wordt tevens op verzoek van Onze Minister door de rechtbank ontbonden respectievelijk door een of meer door de rechtbank aan te wijzen vereffenaars binnen een door de rechtbank te bepalen termijn vereffend, indien:
a. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt over de beleggingsinstelling zodanig onjuist zijn of onvolledig blijken, of wanneer omstandigheden zich voordoen of feiten bekend worden, op grond waarvan, zo zij zich voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend, hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de beleggingsinstelling niet zou zijn toegestaan haar activiteiten te verrichten;
b. de beleggingsinstelling dan wel de beheerder: 1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de oprichting geen activiteiten heeft verricht;
2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de beleggingsinstelling geen activiteiten zal verrichten;
3°. haar activiteiten gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt, of
4°. kennelijk heeft opgehouden beleggingsinstelling te zijn;
5°. niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet gestelde; of
6°. niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging als bedoeld in artikel 21.
1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de oprichting geen activiteiten heeft verricht;
2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de beleggingsinstelling geen activiteiten zal verrichten;
3°. haar activiteiten gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt, of
4°. kennelijk heeft opgehouden beleggingsinstelling te zijn;
5°. niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet gestelde; of
6°. niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging als bedoeld in artikel 21.
5. De ontbinding, bedoeld in het tweede en vierde lid, en de vereffening, bedoeld in het derde of vierde lid, vindt niet eerder plaats dan nadat het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning onherroepelijk is geworden.