BWBR0004809
Geldig vanaf 2005-07-16
Artikel 19
Wet toezicht beleggingsinstellingen
1. Onze Minister kan bij:
a. een aanvrager van een vergunning;
b. een aanvrager van een ontheffing als bedoeld in artikel 14a;
c. een beheerder;
d. een beleggingsinstelling;
e. een bewaarder;
f. degene op wie een vrijstelling als bedoeld in artikel 14 van toepassing is;
g. degene die deel uitmaakt van een groep waartoe een beleggingsinstelling behoort;
h. een onderneming of instelling waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels,
alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen worden nageleefd.
2. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen de door Onze Minister te stellen termijn.
3. Ten aanzien van de personen die door Onze Minister zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die Onze Minister heeft op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17en 5:20 van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in artikel 27b, eerste lid, wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
a. een aanvrager van een vergunning;
b. een aanvrager van een ontheffing als bedoeld in artikel 14a;
c. een beheerder;
d. een beleggingsinstelling;
e. een bewaarder;
f. degene op wie een vrijstelling als bedoeld in artikel 14 van toepassing is;
g. degene die deel uitmaakt van een groep waartoe een beleggingsinstelling behoort;
h. een onderneming of instelling waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels,
alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen worden nageleefd.
2. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen de door Onze Minister te stellen termijn.
3. Ten aanzien van de personen die door Onze Minister zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die Onze Minister heeft op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17en 5:20 van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in artikel 27b, eerste lid, wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.