BWBR0004809
Geldig vanaf 2005-07-16
Artikel 33c
Wet toezicht beleggingsinstellingen
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 4, eerste en tweede lid, 5, eerste lid6, derde, vijfde en zesde lid, eerste volzin, 8, 10, 11, eerste lid, 12, eerste tot en met derde en vijfde tot en met zevende lid, 12a, 13, eerste en derde lid, 13b, eerste en vijfde lid, 14, tweede lid, 4a, tweede lid, 16, derde tot en met vijfde lid, 17a, eerste tot en met vierde en zesde tot en met achtste lid, 17b, tweede lid, 17c, tweede en derde lid, 19, tweede en derde lid, voor zo ver het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrechten het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 20, eerste en tweede lid, 21, derde en zesde lid, onder a, 22, 22a, tweede tot en met vierde lid, 23, 27c, tweede en derde lid.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de staat. Voor zover Onze Minister met toepassing van artikel 29, eerste lid, de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete overdraagt aan een rechtspersoon, komt de boete toe aan die rechtspersoon.
3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de staat. Voor zover Onze Minister met toepassing van artikel 29, eerste lid, de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete overdraagt aan een rechtspersoon, komt de boete toe aan die rechtspersoon.
3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.