BWBR0001908
Geldig vanaf 01-01-1991
Artikel 31F
Octrooireglement
1. Een ieder die op grond van artikel 28A van de Rijksoctrooiwet het recht heeft tot kennisneming van de in dat artikel bedoelde stukken met betrekking tot een aanvrage om octrooi of een octrooi, kan verzoeken om afgifte van een monster van een overeenkomstig artikel 22B, tweede lid, van de Rijksoctrooiwet gedeponeerde cultuur van een micro-organisme waarop die aanvrage of dat octrooi betrekking heeft.
2. Het verzoek dient te worden gericht aan de Octrooiraad door middel van een door de Octrooiraad vastgesteld formulier. Het dient vergezeld te gaan van een schriftelijke verklaring van de verzoeker, dat hij zich er jegens de aanvrager of de houder van het octrooi toe verplicht de gedeponeerde cultuur of een daarvan afgeleide cultuur, tot de datum waarop vaststaat dat op de octrooiaanvrage geen octrooi verleend wordt dan wel, indien octrooi is verleend, zolang dit van kracht is:
a. niet aan derden ter beschikking te stellen;
b. alleen voor proefnemingen te gebruiken, tenzij de verzoeker de cultuur gebruikt als houder van een overeenkomstig artikel 34 of 34B van de Rijksoctrooiwet ontstane licentie, dan wel als gerechtigde ingevolge artikel 34A van die rijkswet.
3. De aanvrager om octrooi kan, tot de datum waarop de aanvrage overeenkomstig artikel 22C van de Rijksoctrooiwet ter inzage wordt gelegd of, indien dit eerder plaatsvindt, tot de datum van openbaarmaking van de aanvrage overeenkomstig artikel 25 van die rijkswet, de Octrooiraad op een daartoe door de raad vastgesteld formulier mededelen dat tot de datum waarop octrooi wordt verleend of tot de datum, waarop vaststaat dat op de octrooiaanvrage geen octrooi verleend wordt, de afgifte overeenkomstig het eerste lid van monsters van de door hem gedeponeerde cultuur van een micro-organisme, alleen kan geschieden aan een door de verzoeker aangewezen deskundige. De in het tweede lid, tweede volzin, bedoelde verklaring dient in dat geval door de desbetreffende deskundige te worden medeondertekend.
4. Als deskundige kan worden aangewezen:
a. iedere natuurlijke persoon ten aanzien van wie de verzoeker bij de indiening van het verzoek aantoont dat de aanvrager van het octrooi heeft ingestemd met zijn aanwijzing;
b. iedere natuurlijke persoon die door de Voorzitter van de Octrooiraad als deskundige wordt erkend.
5. Onder afgeleide cultuur wordt voor de toepassing van het tweede lid verstaan iedere cultuur die nog die kenmerken van de gedeponeerde cultuur bezit welke essentieel zijn voor de toepassing van de uitvinding. De verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, vormen geen beletsel voor het deponeren van een afgeleide cultuur, noodzakelijk voor een octrooiverleningsprocedure.
6. De Octrooiraad zendt het verzoek aan de instelling. Daarbij vermeldt de raad of een octrooiaanvrage, die een vermelding bevat van het depot van het micro-organisme, is ingediend en of de verzoeker recht heeft op de afgifte van een monster van dat micro-organisme. Aan de aanvrager of aan de houder van het octrooi zendt de Octrooiraad een afschrift van het verzoek.
2. Het verzoek dient te worden gericht aan de Octrooiraad door middel van een door de Octrooiraad vastgesteld formulier. Het dient vergezeld te gaan van een schriftelijke verklaring van de verzoeker, dat hij zich er jegens de aanvrager of de houder van het octrooi toe verplicht de gedeponeerde cultuur of een daarvan afgeleide cultuur, tot de datum waarop vaststaat dat op de octrooiaanvrage geen octrooi verleend wordt dan wel, indien octrooi is verleend, zolang dit van kracht is:
a. niet aan derden ter beschikking te stellen;
b. alleen voor proefnemingen te gebruiken, tenzij de verzoeker de cultuur gebruikt als houder van een overeenkomstig artikel 34 of 34B van de Rijksoctrooiwet ontstane licentie, dan wel als gerechtigde ingevolge artikel 34A van die rijkswet.
3. De aanvrager om octrooi kan, tot de datum waarop de aanvrage overeenkomstig artikel 22C van de Rijksoctrooiwet ter inzage wordt gelegd of, indien dit eerder plaatsvindt, tot de datum van openbaarmaking van de aanvrage overeenkomstig artikel 25 van die rijkswet, de Octrooiraad op een daartoe door de raad vastgesteld formulier mededelen dat tot de datum waarop octrooi wordt verleend of tot de datum, waarop vaststaat dat op de octrooiaanvrage geen octrooi verleend wordt, de afgifte overeenkomstig het eerste lid van monsters van de door hem gedeponeerde cultuur van een micro-organisme, alleen kan geschieden aan een door de verzoeker aangewezen deskundige. De in het tweede lid, tweede volzin, bedoelde verklaring dient in dat geval door de desbetreffende deskundige te worden medeondertekend.
4. Als deskundige kan worden aangewezen:
a. iedere natuurlijke persoon ten aanzien van wie de verzoeker bij de indiening van het verzoek aantoont dat de aanvrager van het octrooi heeft ingestemd met zijn aanwijzing;
b. iedere natuurlijke persoon die door de Voorzitter van de Octrooiraad als deskundige wordt erkend.
5. Onder afgeleide cultuur wordt voor de toepassing van het tweede lid verstaan iedere cultuur die nog die kenmerken van de gedeponeerde cultuur bezit welke essentieel zijn voor de toepassing van de uitvinding. De verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, vormen geen beletsel voor het deponeren van een afgeleide cultuur, noodzakelijk voor een octrooiverleningsprocedure.
6. De Octrooiraad zendt het verzoek aan de instelling. Daarbij vermeldt de raad of een octrooiaanvrage, die een vermelding bevat van het depot van het micro-organisme, is ingediend en of de verzoeker recht heeft op de afgifte van een monster van dat micro-organisme. Aan de aanvrager of aan de houder van het octrooi zendt de Octrooiraad een afschrift van het verzoek.
- Wet
- Octrooireglement
- Citeren als
- Art. 31F
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001908
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl