1. Het bedrag, hetwelk krachtens
artikel 17A, derde lid, van de Rijksoctrooiwet bij de indiening van een verzoekschrift tot herstel in de vorige toestand moet worden betaald, is € 161.
2. Het bedrag, hetwelk krachtens
artikel 21 van de Rijksoctrooiwet bij de indiening van een aanvrage om octrooi moet zijn gestort, is € 127.
3. Het bedrag, hetwelk krachtens
artikel 22A, vierde lid, van de Rijksoctrooiwet voor iedere bladzijde van de bij de aanvrage behorende beschrijving en tekeningen en het uittreksel moet worden betaald, is € 3.
4. Het bedrag, hetwelk krachtens
artikel 22D, eerste lid, van de Rijksoctrooiwet ter zake van een aanvrage, zolang daarop geen octrooi is verleend, twee jaar na de indiening op de laatste dag van de maand waarin deze heeft plaatsgevonden en verder elk volgend jaar op die dag moet worden betaald, is € 122.
5. Het bedrag, hetwelk krachtens onderscheidenlijk de
artikelen 22G, eerste lid,
22H, eerste lid,
22I, vierde en tiende lid, en
22J, eerste lid, van de Rijksoctrooiwet bij de indiening van een in die artikelen bedoeld verzoekschrift moet worden betaald, is, indien het betreft:
een verzoekschrift, ertoe strekkende dat wordt bepaald, dat een aanspraak op octrooi aan de verzoeker of mede aan de verzoeker toekomt: € 161;
een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor: € 161;
een verzoekschrift tot het instellen of het voortzetten van een onderzoek naar de stand van de techniek, niet zijnde een nieuwheidsonderzoek van internationaal type: € 544;
een verzoekschrift tot het doen onderwerpen van een aanvrage aan een nieuwheidsonderzoek van internationaal type: € 1 089;
een verzoekschrift tot het nemen van een beslissing omtrent de verlening van octrooi op de aanvrage: € 283.
De bovenvermelde bedragen betreffende onderzoeken naar de stand van de techniek worden teruggegeven, indien binnen de in
artikel 22I, zevende lid, van de Rijksoctrooiwet bedoelde termijn het resultaat wordt overgelegd van een reeds eerder door het Europees Octrooibureau of de Octrooiraad op een overeenkomstige octrooiaanvrage ingesteld onderzoek naar de stand van de techniek.
De bovenvermelde bedragen betreffende onderzoeken naar de stand van de techniek behoeven niet te worden betaald voor:
a. een verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek naar de stand van de techniek met betrekking tot een omgezette aanvrage als bedoeld in artikel 29H van de Rijksoctrooiwet, indien bij die aanvrage een verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek is gevoegd dan wel een verslag van het internationale nieuwheidsonderzoek vergezeld van een aanvullend verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek voor zover nodig op grond van artikel 157, tweede en derde lid, van het Europees Octrooiverdrag;
b. een verzoekschrift tot het voortzetten van een onderzoek naar de stand van de techniek, indien het verzoek betrekking heeft op enig gedeelte van een omgezette aanvrage dat voorwerp is geweest van een onder a bedoeld verslag;
c. een verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek naar de stand van de techniek, indien bij het verzoekschrift het resultaat wordt overgelegd van een reeds eerder door het Europees Octrooibureau of de Octrooiraad op een overeenkomstige octrooiaanvrage ingesteld onderzoek naar de stand van de techniek.
6. Het bedrag, hetwelk krachtens
artikel 25, eerste lid, van de Rijksoctrooiwet moet zijn gestort alvorens tot openbaarmaking van de aanvrage wordt overgegaan, is € 174.
7. Het bedrag, hetwelk krachtens
artikel 29P, eerste en zevende lid, van de Rijksoctrooiwet moet worden betaald ter zake van de indiening van de vertaling in het Nederlands van een Europees octrooischrift of, indien het Europees octrooi in oppositie is gewijzigd, van een nieuw Europees octrooischrift, onderscheidenlijk van een verbeterde vertaling van een Europees octrooischrift of een nieuw Europees octrooischrift, is € 25.
8. Het bedrag dat krachtens
artikel 35, eerste of tweede lid, van de wet ter zake van een octrooi onderscheidenlijk een Europees octrooi elk jaar moet worden betaald, is:
[tabel]
9. De verhoging die krachtens
artikel 22D, eerste lid, van de Rijksoctrooiwet verschuldigd is bij betaling na de vervaldag is gelijk aan 50 procent van het overeenkomstig het vierde lid voor dat jaar te betalen bedrag.
10. De verhoging die krachtens
artikel 35, vierde lid, van de Rijksoctrooiwet verschuldigd is bij betaling na de vervaldag is gelijk aan 50 procent van het overeenkomstig het achtste lid voor dat jaar te betalen bedrag.
11. Voor iedere verlenging van een krachtens de
Rijksoctrooiwet gestelde termijn is een bedrag van € 5 verschuldigd.