BWBR0001879
Geldig vanaf 01-02-1979
Artikel 7
Rijksoctrooiwet
1. Hij, die in een der landen, aangesloten bij de Internationale Unie tot bescherming van de industriële eigendom, overeenkomstig de in dat land geldende wetten, of hij, die, overeenkomstig de tussen twee of meer der voornoemde landen gesloten verdragen, octrooi of een gebruikscertificaat dan wel bescherming van een gebruiksmodel heeft aangevraagd, geniet gedurende een termijn van twaalf maanden na de dag dier aanvrage binnen het Koninkrijk een recht van voorrang ter verkrijging van octrooi voor datgene, waarvoor door hem de in de aanhef bedoelde bescherming werd aangevraagd. Het voorgaande vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van hem, die een uitvinderscertificaat heeft aangevraagd, indien de betrokken wetgeving de keus laat tussen verkrijging van zodanig certificaat of een octrooi.
2. Onder aanvrage in de zin van het eerste lid wordt iedere aanvrage verstaan, waarvan de datum van indiening kan worden vastgesteld, ongeacht het verdere lot van die aanvrage.
3. Indien de rechthebbende meer aanvragen voor hetzelfde onderwerp heeft ingediend, komt voor het recht van voorrang slechts de eerst ingediende in aanmerking. Niettemin kan het recht van voorrang ook berusten op een later ingediende aanvrage ter verkrijging van bescherming in hetzelfde land, mits de eerst ingediende aanvrage vóór de indiening van de latere aanvrage is ingetrokken, vervallen of afgewezen zonder ter kennis van het publiek te zijn gebracht en zonder rechten te hebben laten bestaan en mits zij nog niet als grondslag heeft gediend voor de inroeping van een recht van voorrang. Indien een recht van voorrang berustend op een later ingediende aanvrage is ingeroepen, zal de eerst ingediende aanvrage niet meer als grondslag kunnen dienen voor de inroeping van een recht van voorrang.
4. De voorrang heeft voor de toepassing van de artikelen 2, tweede, derde en vierde lid, en 2A ten gevolge, dat de aanvrage waarvoor dit recht bestaat, wordt geacht te zijn ingediend op de dag van indiening van de aanvrage, waarop het recht van voorrang berust.
5. De voorrang kan niet worden geweigerd op grond van het feit, dat de aanvrager beroep doet op meer dan één recht van voorrang, zelfs niet wanneer de rechten van voorrang uit verschillende landen afkomstig zijn. Evenmin kan de voorrang worden geweigerd op grond van het feit dat datgene, waarvoor octrooi wordt gevraagd, elementen bevat, waarvoor in de conclusies van de aanvrage in het land van oorsprong geen rechten werden verlangd, mits de tot deze laatste aanvrage behorende stukken het betrokken voortbrengsel of de betrokken werkwijze voldoende nauwkeurig aangeven.
6. Hij, die van het recht van voorrang wil gebruik maken, moet daarop schriftelijk beroep doen bij de indiening van de aanvrage of binnen drie maanden daarna, onder vermelding van de datum van indiening van de aanvrage, waarop hij zich beroept, en van het land, waarin of waarvoor deze werd ingediend; binnen zestien maanden na indiening van de aanvrage, waarop hij zich beroept, moet hij het nummer opgeven van die aanvrage. Ten slotte moet hij de door de Octrooiraad vast te stellen bewijzen overleggen voor een door die Raad te bepalen tijdstip.
7. Het recht van voorrang vervalt, wanneer daarop niet bij de aanvrage of binnen drie maanden daarna beroep is gedaan, alsmede, wanneer de daarvoor gevorderde bewijzen niet vóór het daarvoor gestelde tijdstip worden overgelegd.
2. Onder aanvrage in de zin van het eerste lid wordt iedere aanvrage verstaan, waarvan de datum van indiening kan worden vastgesteld, ongeacht het verdere lot van die aanvrage.
3. Indien de rechthebbende meer aanvragen voor hetzelfde onderwerp heeft ingediend, komt voor het recht van voorrang slechts de eerst ingediende in aanmerking. Niettemin kan het recht van voorrang ook berusten op een later ingediende aanvrage ter verkrijging van bescherming in hetzelfde land, mits de eerst ingediende aanvrage vóór de indiening van de latere aanvrage is ingetrokken, vervallen of afgewezen zonder ter kennis van het publiek te zijn gebracht en zonder rechten te hebben laten bestaan en mits zij nog niet als grondslag heeft gediend voor de inroeping van een recht van voorrang. Indien een recht van voorrang berustend op een later ingediende aanvrage is ingeroepen, zal de eerst ingediende aanvrage niet meer als grondslag kunnen dienen voor de inroeping van een recht van voorrang.
4. De voorrang heeft voor de toepassing van de artikelen 2, tweede, derde en vierde lid, en 2A ten gevolge, dat de aanvrage waarvoor dit recht bestaat, wordt geacht te zijn ingediend op de dag van indiening van de aanvrage, waarop het recht van voorrang berust.
5. De voorrang kan niet worden geweigerd op grond van het feit, dat de aanvrager beroep doet op meer dan één recht van voorrang, zelfs niet wanneer de rechten van voorrang uit verschillende landen afkomstig zijn. Evenmin kan de voorrang worden geweigerd op grond van het feit dat datgene, waarvoor octrooi wordt gevraagd, elementen bevat, waarvoor in de conclusies van de aanvrage in het land van oorsprong geen rechten werden verlangd, mits de tot deze laatste aanvrage behorende stukken het betrokken voortbrengsel of de betrokken werkwijze voldoende nauwkeurig aangeven.
6. Hij, die van het recht van voorrang wil gebruik maken, moet daarop schriftelijk beroep doen bij de indiening van de aanvrage of binnen drie maanden daarna, onder vermelding van de datum van indiening van de aanvrage, waarop hij zich beroept, en van het land, waarin of waarvoor deze werd ingediend; binnen zestien maanden na indiening van de aanvrage, waarop hij zich beroept, moet hij het nummer opgeven van die aanvrage. Ten slotte moet hij de door de Octrooiraad vast te stellen bewijzen overleggen voor een door die Raad te bepalen tijdstip.
7. Het recht van voorrang vervalt, wanneer daarop niet bij de aanvrage of binnen drie maanden daarna beroep is gedaan, alsmede, wanneer de daarvoor gevorderde bewijzen niet vóór het daarvoor gestelde tijdstip worden overgelegd.
- Wet
- Rijksoctrooiwet
- Citeren als
- Art. 7
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001879
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl