BWBR0001879
Geldig vanaf 01-12-1987
Artikel 43A
Rijksoctrooiwet
1. Behoudens het bepaalde in het vierde lid, kan de octrooihouder een redelijke vergoeding vorderen van hem, die in het tijdvak, gelegen tussen de terinzagelegging overeenkomstig artikel 22C van de aanvrage die tot octrooi heeft geleid en de in artikel 25 bedoelde openbaarmaking van die aanvrage of van een daaruit ingevolge artikel 8A afgesplitste aanvrage, handelingen heeft verricht als vermeld in artikel 30, eerste lid, voor zover de octrooihouder daarvoor uitsluitende rechten heeft verkregen.
2. Behoudens het bepaalde in het vierde lid, kan de octrooihouder eveneens een redelijke vergoeding vorderen van hem, die na de in het eerste lid bedoelde openbaarmaking handelingen als in dat lid bedoeld heeft verricht met voortbrengselen, die gedurende het aldaar genoemde tijdvak in het verkeer zijn gebracht. De octrooihouder kan een zelfde vergoeding vorderen van hem, die na de openbaarmaking ten dienste van zijn bedrijf voortbrengselen, als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder a of b, heeft gebruikt die in het in het eerste lid genoemde tijdvak in zijn bedrijf zijn vervaardigd.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde vergoeding is alleen verschuldigd voor handelingen die zijn verricht na verloop van dertig dagen, nadat de betrokkene bij deurwaardersexploit, waarin nauwkeurig is aangegeven welk gedeelte van de octrooiaanvrage op die handelingen betrekking heeft, is gewezen op het krachtens dit artikel aan de octrooihouder toekomende recht.
4. Het krachtens dit artikel aan de octrooihouder toekomende recht strekt zich niet uit over handelingen verricht door een daartoe krachtens artikel 32 of krachtens overeenkomst gerechtigde, alsmede handelingen met voortbrengselen, die hetzij vóór de terinzagelegging van de betrokken aanvrage om octrooi overeenkomstig artikel 22C in het verkeer zijn gebracht, hetzij nadien door de aanvrager om octrooi of een gerechtigde als hiervoor bedoeld.
2. Behoudens het bepaalde in het vierde lid, kan de octrooihouder eveneens een redelijke vergoeding vorderen van hem, die na de in het eerste lid bedoelde openbaarmaking handelingen als in dat lid bedoeld heeft verricht met voortbrengselen, die gedurende het aldaar genoemde tijdvak in het verkeer zijn gebracht. De octrooihouder kan een zelfde vergoeding vorderen van hem, die na de openbaarmaking ten dienste van zijn bedrijf voortbrengselen, als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder a of b, heeft gebruikt die in het in het eerste lid genoemde tijdvak in zijn bedrijf zijn vervaardigd.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde vergoeding is alleen verschuldigd voor handelingen die zijn verricht na verloop van dertig dagen, nadat de betrokkene bij deurwaardersexploit, waarin nauwkeurig is aangegeven welk gedeelte van de octrooiaanvrage op die handelingen betrekking heeft, is gewezen op het krachtens dit artikel aan de octrooihouder toekomende recht.
4. Het krachtens dit artikel aan de octrooihouder toekomende recht strekt zich niet uit over handelingen verricht door een daartoe krachtens artikel 32 of krachtens overeenkomst gerechtigde, alsmede handelingen met voortbrengselen, die hetzij vóór de terinzagelegging van de betrokken aanvrage om octrooi overeenkomstig artikel 22C in het verkeer zijn gebracht, hetzij nadien door de aanvrager om octrooi of een gerechtigde als hiervoor bedoeld.
- Wet
- Rijksoctrooiwet
- Citeren als
- Art. 43A
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001879
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl