BWBR0001879
Geldig vanaf 01-01-1992
Artikel 26
Rijksoctrooiwet
1. Zijn bezwaar- of verzoekschriften als bedoeld in artikel 25 of 32 ingekomen, dan worden deze gesteld in handen van de aanvraagafdeling, die over de openbaarmaking heeft geoordeeld. De aanvraagafdeling wordt tot drie leden aangevuld, indien zij uit één lid bestond. Deze afdeling beslist na afloop van de in artikel 25, derde lid, bedoelde termijn en na aanvrager, opposanten en verzoekers gehoord of althans behoorlijk opgeroepen te hebben, omtrent de gehele of gedeeltelijke verlening van het octrooi en over de verzoeken. Indien in een verzoekschrift, als bedoeld in artikel 25, vierde lid, wordt verzocht de in de openbaar gemaakte aanvrage opgenomen vermelding van een persoon als de uitvinder in het te verlenen octrooi te verbeteren of weg te laten, beslist de aanvraagafdeling niet dan na ook degene, die als de uitvinder is vermeld, gehoord, althans behoorlijk opgeroepen te hebben.
2. Indien tegen de verlening van een octrooi bezwaar is gemaakt op grond, dat de opposant aanspraak heeft op octrooi overeenkomstig artikel 9 of artikel 10, of aanspraak heeft op een aandeel in het octrooi overeenkomstig artikel 11, hetzij voor de gehele inhoud der oorspronkelijke aanvrage, hetzij voor zodanig deel als vatbaar is voor een zelfstandig octrooi, kan de afdeling treden in een onderzoek van dat bezwaar; bevindt zij dit gegrond, zo verleent zij het aangevraagde octrooi geheel of gedeeltelijk aan de opposant, of kent zij hem het aandeel in het octrooi toe, waarop hij aanspraak heeft, een en ander voor zover de opposant het verlangen daartoe vóór de beslissing aan de Octrooiraad heeft kenbaar gemaakt. Deze beslissing staat een vordering krachtens artikel 53 niet in de weg.
3. Het door de afdeling genomen besluit, dat met redenen moet zijn omkleed, wordt onverwijld aan de aanvrager, de opposanten en de verzoekers schriftelijk medegedeeld.
4. Zijn in de in artikel 25, derde lid, bedoelde termijn geen bezwaar- of verzoekschriften als bedoeld in artikel 25 of 32 ingekomen, dan wordt het octrooi geacht te zijn verleend in de vorm, waarin de aanvrage is openbaar gemaakt.
2. Indien tegen de verlening van een octrooi bezwaar is gemaakt op grond, dat de opposant aanspraak heeft op octrooi overeenkomstig artikel 9 of artikel 10, of aanspraak heeft op een aandeel in het octrooi overeenkomstig artikel 11, hetzij voor de gehele inhoud der oorspronkelijke aanvrage, hetzij voor zodanig deel als vatbaar is voor een zelfstandig octrooi, kan de afdeling treden in een onderzoek van dat bezwaar; bevindt zij dit gegrond, zo verleent zij het aangevraagde octrooi geheel of gedeeltelijk aan de opposant, of kent zij hem het aandeel in het octrooi toe, waarop hij aanspraak heeft, een en ander voor zover de opposant het verlangen daartoe vóór de beslissing aan de Octrooiraad heeft kenbaar gemaakt. Deze beslissing staat een vordering krachtens artikel 53 niet in de weg.
3. Het door de afdeling genomen besluit, dat met redenen moet zijn omkleed, wordt onverwijld aan de aanvrager, de opposanten en de verzoekers schriftelijk medegedeeld.
4. Zijn in de in artikel 25, derde lid, bedoelde termijn geen bezwaar- of verzoekschriften als bedoeld in artikel 25 of 32 ingekomen, dan wordt het octrooi geacht te zijn verleend in de vorm, waarin de aanvrage is openbaar gemaakt.
- Wet
- Rijksoctrooiwet
- Citeren als
- Art. 26
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001879
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl