BWBR0001879
Geldig vanaf 01-12-1987
Artikel 22D
Rijksoctrooiwet
1. Ter zake van een aanvrage moet, zolang daarop geen octrooi is verleend, twee jaar na de indiening op de laatste dag der maand waarin deze heeft plaatsgevonden of ingevolge artikel 8A geacht wordt te hebben plaatsgevonden en verder elk volgend jaar op die dag een bij algemene maatregel van Rijksbestuur te bepalen bedrag bij het Bureau voor de industriële eigendom worden betaald. Voor een aanvrage ingediend ingevolge artikel 8A wordt de eerste betaling eerst verschuldigd na het tijdstip van werkelijke indiening. Bij betaling na de vervaldag zijn verhogingen verschuldigd, waarvan de hoegrootheid nader bij algemene maatregel van Rijksbestuur wordt vastgesteld.
2. De aanvrage dan wel een inmiddels daarop verleend octrooi vervalt, wanneer de in het eerste lid bedoelde bedragen niet binnen zes maanden na de vervaldag zijn betaald. Betaling niet meer dan zes maanden vóór de vervaldag is toegelaten. De Octrooiraad tekent het verval in de openbare registers aan, geeft daarvan kennis in het in artikel 25 bedoelde blad en stelt een derde, die een nog niet afgehandeld verzoek als bedoeld in artikel 22I, tweede of tiende lid, of artikel 22J, eerste lid, heeft gedaan, van het verval op de hoogte.
3. Indien op de vervaldag niet is betaald, herinnert de Octrooiraad de aanvrager binnen veertien dagen schriftelijk aan de betaling. Indien drie maanden na de vervaldag niet is betaald, zendt de Octrooiraad een afschrift van deze herinneringsbrief aan allen, die blijkens in de openbare registers ingeschreven stukken ter zake van de aanvrage rechten hebben verkregen of rechtsvorderingen hebben ingesteld. Op het ontbreken van de herinneringsbrief kan in rechte geen beroep worden gedaan.
2. De aanvrage dan wel een inmiddels daarop verleend octrooi vervalt, wanneer de in het eerste lid bedoelde bedragen niet binnen zes maanden na de vervaldag zijn betaald. Betaling niet meer dan zes maanden vóór de vervaldag is toegelaten. De Octrooiraad tekent het verval in de openbare registers aan, geeft daarvan kennis in het in artikel 25 bedoelde blad en stelt een derde, die een nog niet afgehandeld verzoek als bedoeld in artikel 22I, tweede of tiende lid, of artikel 22J, eerste lid, heeft gedaan, van het verval op de hoogte.
3. Indien op de vervaldag niet is betaald, herinnert de Octrooiraad de aanvrager binnen veertien dagen schriftelijk aan de betaling. Indien drie maanden na de vervaldag niet is betaald, zendt de Octrooiraad een afschrift van deze herinneringsbrief aan allen, die blijkens in de openbare registers ingeschreven stukken ter zake van de aanvrage rechten hebben verkregen of rechtsvorderingen hebben ingesteld. Op het ontbreken van de herinneringsbrief kan in rechte geen beroep worden gedaan.
- Wet
- Rijksoctrooiwet
- Citeren als
- Art. 22D
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001879
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl