BWBR0001879
Geldig vanaf 01-01-2002
Artikel 45
Rijksoctrooiwet
1. Hij, die opzettelijk inbreuk maakt op het recht van de octrooihouder door het verrichten van een der in artikel 30, eerste lid, genoemde handelingen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste € 675, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de Nederlandse Antillen of Aruba, een geldboete van ten hoogste ANG 1500, onderscheidenlijk AWG 1500.
2. Indien tijdens het plegen van het strafbaar feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden, worden de in het vorige lid vermelde maxima verdubbeld.
3. Bij veroordeling kan door de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak worden gelast.
4. Indien voorwerpen zijn verbeurd verklaard, kunnen de rechthebbenden op het octrooi, indien zij zich binnen acht dagen, nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, daartoe ter griffie aanmelden, vorderen, dat die voorwerpen hun worden afgegeven.
5. De strafbare feiten, in dit artikel bedoeld, worden beschouwd als misdrijven.
2. Indien tijdens het plegen van het strafbaar feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden, worden de in het vorige lid vermelde maxima verdubbeld.
3. Bij veroordeling kan door de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak worden gelast.
4. Indien voorwerpen zijn verbeurd verklaard, kunnen de rechthebbenden op het octrooi, indien zij zich binnen acht dagen, nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, daartoe ter griffie aanmelden, vorderen, dat die voorwerpen hun worden afgegeven.
5. De strafbare feiten, in dit artikel bedoeld, worden beschouwd als misdrijven.
- Wet
- Rijksoctrooiwet
- Citeren als
- Art. 45
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001879
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl