BWBR0001879
Geldig vanaf 01-06-1969
Artikel 34A
Rijksoctrooiwet
1. Wij kunnen, indien het belang van de verdediging van het Koninkrijk dit naar Ons oordeel vordert, op gemeenschappelijke voordracht van Onze Minister, wie het rechtstreeks aangaat, en van Onze Minister van Economische Zaken bepalen, dat de Staat bevoegd is in Ons besluit nauwkeurig te omschrijven handelingen, waartoe de houder van een door Ons aan te wijzen octrooi ingevolge artikel 30 uitsluitend gerechtigd is, zelf te verrichten of door anderen te doen verrichten. Deze bevoegdheid geldt voor de gehele duur van het octrooi, tenzij in Ons besluit een kortere duur is bepaald.
2. Na het van kracht worden van Ons besluit zal Onze Minister, wie het rechtstreeks aangaat, zich met de octrooihouder verstaan omtrent de door de Staat aan deze te betalen vergoeding. Indien Onze Minister hierover niet binnen zes maanden na het van kracht worden van Ons besluit met de octrooihouder tot overeenstemming is gekomen, is artikel 34, negende lid, met uitzondering van het omtrent het stellen van zekerheid bepaalde, van overeenkomstige toepassing.
2. Na het van kracht worden van Ons besluit zal Onze Minister, wie het rechtstreeks aangaat, zich met de octrooihouder verstaan omtrent de door de Staat aan deze te betalen vergoeding. Indien Onze Minister hierover niet binnen zes maanden na het van kracht worden van Ons besluit met de octrooihouder tot overeenstemming is gekomen, is artikel 34, negende lid, met uitzondering van het omtrent het stellen van zekerheid bepaalde, van overeenkomstige toepassing.
- Wet
- Rijksoctrooiwet
- Citeren als
- Art. 34A
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001879
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl