BWBR0001879
Geldig vanaf 20-11-1998
Artikel 34
Rijksoctrooiwet
1. Onze Minister van Economische Zaken kan, indien het algemeen belang dit naar zijn oordeel vordert, van een octrooi een licentie van een door hem nauwkeurig omschreven inhoud aan een door hem aangewezen persoon verlenen. Alvorens zijn besluit te nemen onderzoekt Onze Minister, tenzij de te dezen vereiste spoed zich daartegen verzet, of de octrooihouder bereid is de licentie onder redelijke voorwaarden vrijwillig te verlenen. Hij stelt daartoe de octrooihouder in de gelegenheid schriftelijk en, zo deze dit verzoekt, ook mondeling van zijn gevoelen te doen blijken. Het besluit vermeldt de gronden waarop het berust en wordt aan de octrooihouder bij aangetekende brief toegezonden. Bij zijn besluit kan Onze Minister de verkrijger van de licentie het stellen van zekerheid binnen een bepaalde termijn opleggen. Tegen het besluit staat voor de octrooihouder binnen een maand na de verzending beroep op Ons open. Het beroep heeft schorsende werking, tenzij het besluit van Onze Minister op grond van de te dezen vereiste spoed anders bepaalt; wordt in laatstbedoeld geval het besluit in beroep geheel of gedeeltelijk vernietigd, dan worden daarbij tevens de gevolgen geregeld.
2. Indien noch de octrooihouder, noch een ander krachtens een hem verleende licentie na verloop van drie jaren na de dagtekening van het octrooi in het Koninkrijk of in een andere, bij algemene maatregel van Rijksbestuur aangewezen staat in werking heeft een inrichting van nijverheid, waarin te goeder trouw in voldoende mate het betrokken voortbrengsel wordt vervaardigd of de betrokken werkwijze wordt toegepast, is de octrooihouder verplicht de voor het in werking hebben van zodanige inrichting nodige licentie te verlenen, tenzij geldige redenen voor het ontbreken van zodanige inrichting blijken te bestaan. Voor de houder van een Europees octrooi ontstaat deze verplichting, indien niet na verloop van drie jaren na de dag, dat overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag de vermelding van de verlening van het Europees octrooi is gepubliceerd, een inrichting van nijverheid als hiervoor bedoeld in werking is in Nederland of in een andere, bij algemene maatregel van Rijksbestuur aangewezen staat.
3. Het tweede lid is niet van toepassing, indien de octrooihouder of een ander krachtens een hem verleende licentie in dat deel van het aan Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba grenzende - of, indien het een Europees octrooi betreft, van het aan Nederland grenzende - continentaal plat, waarop het Koninkrijk soevereine rechten heeft, in werking heeft een inrichting van nijverheid, waarin te goeder trouw in voldoende mate handelingen als in dat lid bedoeld worden verricht, mits die handelingen zijn gericht op en worden verricht tijdens het onderzoek naar de aanwezigheid van natuurlijke rijkdommen als in artikel 44B bedoeld of het winnen daarvan.
4. De octrooihouder is te allen tijde verplicht de licentie te verlenen welke nodig mocht zijn voor de toepassing van een octrooi verleend op een aanvrage met een gelijke of latere dag van indiening of, indien voor de aanvrage een recht van voorrang bestaat, voorrangsdatum; de octrooihouder is evenwel tot verlening van een licentie welke nodig mocht zijn voor de toepassing van een Europees octrooi eerst verplicht nadat de voor het instellen van oppositie tegen het Europees octrooi gestelde termijn is verstreken of een ingestelde oppositieprocedure is afgesloten. Een zodanige licentie strekt zich niet verder uit dan noodzakelijk is voor de toepassing van het octrooi van verkrijger. Deze is verplicht aan de houder van het andere octrooi wederkerig licentie van zijn octrooi te verlenen.
5. De licentie bedoeld in het tweede of vierde lid wordt op verzoek van de belanghebbende door de Octrooiraad verleend, zo dit college meent, dat aan de verplichting tot het verlenen daarvan niet is voldaan. Het verzoek tot het verlenen van een licentie als bedoeld in de eerste volzin van het vierde lid kan ook worden gedaan door de houder van een ingevolge artikel 25, eerste lid, openbaar gemaakte octrooiaanvrage, of door de houder van een Europees octrooi, voordat de voor het instellen van oppositie tegen het Europees octrooi gestelde termijn is verstreken of een ingestelde oppositieprocedure is afgesloten.
De houder van het octrooi, waarvan licentie wordt verzocht, kan het verzoek tot het wederkerig verlenen van een licentie als bedoeld in de laatste volzin van het vierde lid reeds indienen vanaf het ogenblik, waarop het verzoek tot het verlenen van een licentie van zijn eigen octrooi is gedaan. Op deze verzoeken is het bepaalde in artikel 32, vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Zij worden in de openbare registers van de Octrooiraad ingeschreven.
6. Een verzoek als bedoeld in het voorgaande lid wordt in eerste instantie behandeld door een bijzondere afdeling. Deze afdeling beslist na partijen te hebben gehoord, althans behoorlijk te hebben opgeroepen. Indien het verzoek tot het verlenen van een licentie als bedoeld in de eerste volzin van het vierde lid overeenkomstig de tweede volzin van het vijfde lid is ingediend en tevens tegen de betrokken aanvrage een bezwaar- of verzoekschrift als bedoeld in artikel 25 of 32 of tegen het betrokken Europees octrooi een verzoekschrift als bedoeld in artikel 32 is ingekomen, zal de behandeling van het verzoek en van de genoemde bezwaar- of verzoekschriften en van een verzoek tot het wederkerig verlenen van een licentie als bedoeld in de laatste volzin van het vierde lid, voor zover mogelijk in verband met het tijdstip van indiening van bedoelde verzoeken, gezamenlijk plaatsvinden door de bijzondere afdeling. Een op grond van de eerste volzin van het vierde lid verzochte licentie kan niet worden verleend alvorens op de aanvrage van de verzoeker octrooi is verleend; indien de licentie nodig mocht zijn voor de toepassing van een Europees octrooi kan zij niet worden verleend alvorens de voor het instellen van oppositie tegen het Europees octrooi gestelde termijn is verstreken of een ingestelde oppositieprocedure is afgesloten. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing.
7. In het met redenen omklede besluit van de Octrooiraad wordt de verleende licentie nauwkeurig omschreven, bij welke omschrijving van hetgeen gevraagd wordt kan worden afgeweken. Bij zijn besluit kan de Octrooiraad de verkrijger van de licentie het stellen van zekerheid binnen een bepaalde termijn opleggen. Een op grond van het tweede lid verleende licentie zal niet-uitsluitend zijn en zal niet kunnen worden overgedragen, zelfs niet door middel van de verlening van onder-licenties, dan te zamen met het gedeelte van de onderneming, waarin deze licentie wordt uitgeoefend. Een op grond van het vierde lid, eerste of derde volzin, verleende licentie vervalt niet doordat het octrooi, ten behoeve waarvan de licentie is verleend, als gevolg van het verstrijken van de in artikel 47 bedoelde termijn is geëindigd, dan wel doordat het octrooi geheel of gedeeltelijk is nietig verklaard of met goed gevolg is opgeëist. Een op grond van het vierde lid, laatste volzin, ten behoeve van een Europees octrooi verleende wederkerige licentie vervalt niet doordat dit octrooi is herroepen.
8. Een besluit als bedoeld in het eerste of zevende lid wordt op verzoek van de verkrijger in de openbare registers van de Octrooiraad ingeschreven. Is het stellen van zekerheid opgelegd, dan heeft de inschrijving niet plaats, voordat aan die verplichting is voldaan. Voor de inschrijving is een bedrag, waarvan de hoegrootheid nader bij algemene maatregel van Rijksbestuur wordt vastgesteld, verschuldigd. De licentie werkt eerst na die inschrijving, maar dan ook tegenover hen, die na de inschrijving van het in het vijfde lid bedoelde verzoek rechten op het octrooi hebben verkregen. Echter werkt een ingeschreven licentie, die op grond van het in het vierde lid bepaalde is verleend, terug tot de dag waarop het verzoek is ingeschreven.
9. Nadat een licentie ingevolge de voorgaande leden is verleend, kunnen partijen zich schriftelijk wenden tot de Octrooiraad met het verzoek, dat door deze het bedrag van de aan de octrooihouder te betalen vergoeding wordt vastgesteld. De Octrooiraad voldoet aan dat verzoek. Aan zijn beslissing zijn partijen gehouden. Wenden partijen zich niet met zulk een verzoek tot de Octrooiraad en kunnen zij omtrent het bedrag der vergoeding niet tot overeenstemming komen, dan wordt de vergoeding op vordering van de meest gerede partij door de rechter bepaald, die de verkrijger der licentie het stellen van zekerheid binnen een bepaalde termijn kan opleggen, dan wel de op grond van het eerste of zevende lid bepaalde zekerheid kan bevestigen of wijzigen.
2. Indien noch de octrooihouder, noch een ander krachtens een hem verleende licentie na verloop van drie jaren na de dagtekening van het octrooi in het Koninkrijk of in een andere, bij algemene maatregel van Rijksbestuur aangewezen staat in werking heeft een inrichting van nijverheid, waarin te goeder trouw in voldoende mate het betrokken voortbrengsel wordt vervaardigd of de betrokken werkwijze wordt toegepast, is de octrooihouder verplicht de voor het in werking hebben van zodanige inrichting nodige licentie te verlenen, tenzij geldige redenen voor het ontbreken van zodanige inrichting blijken te bestaan. Voor de houder van een Europees octrooi ontstaat deze verplichting, indien niet na verloop van drie jaren na de dag, dat overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag de vermelding van de verlening van het Europees octrooi is gepubliceerd, een inrichting van nijverheid als hiervoor bedoeld in werking is in Nederland of in een andere, bij algemene maatregel van Rijksbestuur aangewezen staat.
3. Het tweede lid is niet van toepassing, indien de octrooihouder of een ander krachtens een hem verleende licentie in dat deel van het aan Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba grenzende - of, indien het een Europees octrooi betreft, van het aan Nederland grenzende - continentaal plat, waarop het Koninkrijk soevereine rechten heeft, in werking heeft een inrichting van nijverheid, waarin te goeder trouw in voldoende mate handelingen als in dat lid bedoeld worden verricht, mits die handelingen zijn gericht op en worden verricht tijdens het onderzoek naar de aanwezigheid van natuurlijke rijkdommen als in artikel 44B bedoeld of het winnen daarvan.
4. De octrooihouder is te allen tijde verplicht de licentie te verlenen welke nodig mocht zijn voor de toepassing van een octrooi verleend op een aanvrage met een gelijke of latere dag van indiening of, indien voor de aanvrage een recht van voorrang bestaat, voorrangsdatum; de octrooihouder is evenwel tot verlening van een licentie welke nodig mocht zijn voor de toepassing van een Europees octrooi eerst verplicht nadat de voor het instellen van oppositie tegen het Europees octrooi gestelde termijn is verstreken of een ingestelde oppositieprocedure is afgesloten. Een zodanige licentie strekt zich niet verder uit dan noodzakelijk is voor de toepassing van het octrooi van verkrijger. Deze is verplicht aan de houder van het andere octrooi wederkerig licentie van zijn octrooi te verlenen.
5. De licentie bedoeld in het tweede of vierde lid wordt op verzoek van de belanghebbende door de Octrooiraad verleend, zo dit college meent, dat aan de verplichting tot het verlenen daarvan niet is voldaan. Het verzoek tot het verlenen van een licentie als bedoeld in de eerste volzin van het vierde lid kan ook worden gedaan door de houder van een ingevolge artikel 25, eerste lid, openbaar gemaakte octrooiaanvrage, of door de houder van een Europees octrooi, voordat de voor het instellen van oppositie tegen het Europees octrooi gestelde termijn is verstreken of een ingestelde oppositieprocedure is afgesloten.
De houder van het octrooi, waarvan licentie wordt verzocht, kan het verzoek tot het wederkerig verlenen van een licentie als bedoeld in de laatste volzin van het vierde lid reeds indienen vanaf het ogenblik, waarop het verzoek tot het verlenen van een licentie van zijn eigen octrooi is gedaan. Op deze verzoeken is het bepaalde in artikel 32, vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Zij worden in de openbare registers van de Octrooiraad ingeschreven.
6. Een verzoek als bedoeld in het voorgaande lid wordt in eerste instantie behandeld door een bijzondere afdeling. Deze afdeling beslist na partijen te hebben gehoord, althans behoorlijk te hebben opgeroepen. Indien het verzoek tot het verlenen van een licentie als bedoeld in de eerste volzin van het vierde lid overeenkomstig de tweede volzin van het vijfde lid is ingediend en tevens tegen de betrokken aanvrage een bezwaar- of verzoekschrift als bedoeld in artikel 25 of 32 of tegen het betrokken Europees octrooi een verzoekschrift als bedoeld in artikel 32 is ingekomen, zal de behandeling van het verzoek en van de genoemde bezwaar- of verzoekschriften en van een verzoek tot het wederkerig verlenen van een licentie als bedoeld in de laatste volzin van het vierde lid, voor zover mogelijk in verband met het tijdstip van indiening van bedoelde verzoeken, gezamenlijk plaatsvinden door de bijzondere afdeling. Een op grond van de eerste volzin van het vierde lid verzochte licentie kan niet worden verleend alvorens op de aanvrage van de verzoeker octrooi is verleend; indien de licentie nodig mocht zijn voor de toepassing van een Europees octrooi kan zij niet worden verleend alvorens de voor het instellen van oppositie tegen het Europees octrooi gestelde termijn is verstreken of een ingestelde oppositieprocedure is afgesloten. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing.
7. In het met redenen omklede besluit van de Octrooiraad wordt de verleende licentie nauwkeurig omschreven, bij welke omschrijving van hetgeen gevraagd wordt kan worden afgeweken. Bij zijn besluit kan de Octrooiraad de verkrijger van de licentie het stellen van zekerheid binnen een bepaalde termijn opleggen. Een op grond van het tweede lid verleende licentie zal niet-uitsluitend zijn en zal niet kunnen worden overgedragen, zelfs niet door middel van de verlening van onder-licenties, dan te zamen met het gedeelte van de onderneming, waarin deze licentie wordt uitgeoefend. Een op grond van het vierde lid, eerste of derde volzin, verleende licentie vervalt niet doordat het octrooi, ten behoeve waarvan de licentie is verleend, als gevolg van het verstrijken van de in artikel 47 bedoelde termijn is geëindigd, dan wel doordat het octrooi geheel of gedeeltelijk is nietig verklaard of met goed gevolg is opgeëist. Een op grond van het vierde lid, laatste volzin, ten behoeve van een Europees octrooi verleende wederkerige licentie vervalt niet doordat dit octrooi is herroepen.
8. Een besluit als bedoeld in het eerste of zevende lid wordt op verzoek van de verkrijger in de openbare registers van de Octrooiraad ingeschreven. Is het stellen van zekerheid opgelegd, dan heeft de inschrijving niet plaats, voordat aan die verplichting is voldaan. Voor de inschrijving is een bedrag, waarvan de hoegrootheid nader bij algemene maatregel van Rijksbestuur wordt vastgesteld, verschuldigd. De licentie werkt eerst na die inschrijving, maar dan ook tegenover hen, die na de inschrijving van het in het vijfde lid bedoelde verzoek rechten op het octrooi hebben verkregen. Echter werkt een ingeschreven licentie, die op grond van het in het vierde lid bepaalde is verleend, terug tot de dag waarop het verzoek is ingeschreven.
9. Nadat een licentie ingevolge de voorgaande leden is verleend, kunnen partijen zich schriftelijk wenden tot de Octrooiraad met het verzoek, dat door deze het bedrag van de aan de octrooihouder te betalen vergoeding wordt vastgesteld. De Octrooiraad voldoet aan dat verzoek. Aan zijn beslissing zijn partijen gehouden. Wenden partijen zich niet met zulk een verzoek tot de Octrooiraad en kunnen zij omtrent het bedrag der vergoeding niet tot overeenstemming komen, dan wordt de vergoeding op vordering van de meest gerede partij door de rechter bepaald, die de verkrijger der licentie het stellen van zekerheid binnen een bepaalde termijn kan opleggen, dan wel de op grond van het eerste of zevende lid bepaalde zekerheid kan bevestigen of wijzigen.
- Wet
- Rijksoctrooiwet
- Citeren als
- Art. 34
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001879
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl