BWBR0001879
Geldig vanaf 01-12-1987
Artikel 23
Rijksoctrooiwet
1. Nadat een verzoekschrift als bedoeld in artikel 22J is ingediend, bereidt de Octrooiraad de in het derde lid bedoelde behandeling van de aanvrage voor. Artikel 22I, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Is de Octrooiraad van oordeel, dat een aanvrage niet aan de wettelijk gestelde eisen voldoet, dan geeft hij de aanvrager daarvan kennis onder mededeling van de bestaande bezwaren en stelt hem in de gelegenheid tot opheffing daarvan, hetzij door zich schriftelijk binnen een behoorlijke termijn tegen de aangevoerde bezwaren te verweren, hetzij door aanvulling of verbetering van de oorspronkelijke aanvrage.
3. Na voltooiing van de in het eerste lid bedoelde voorbereiding stelt de Octrooiraad de aanvrage met de daarop betrekking hebbende stukken in handen van een door hem samen te stellen aanvraagafdeling, die de aanvrage in behandeling neemt.
4. Nadat de aanvrager door de aanvraagafdeling is gehoord, althans behoorlijk is opgeroepen, en hem zo nodig behoorlijk gelegenheid is gegeven haar bezwaren op te heffen, geeft zij haar beslissing zo spoedig mogelijk.
5. Alvorens omtrent de al of niet-openbaarmaking van de aanvrage te beslissen kan de aanvraagafdeling aan de Octrooiraad verzoeken een nader onderzoek als bedoeld in artikel 22I, eerste lid, in te stellen.
6. Indien de aanvrage in strijd is met het bij of krachtens artikel 5A bepaalde, wordt dit vastgesteld in een beslissing van de afdeling. Op verzoek van de aanvrager geschiedt dit zo spoedig mogelijk. Daartoe kan de aanvrage, op verzoek van de aanvrager, nog tijdens de voorbereiding in handen van een aanvraagafdeling worden gesteld. Het vierde lid en artikel 24, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Hangende de beslissing wordt voor het overige de behandeling van de aanvrage geschorst op verzoek van de aanvrager of indien de aanvraagafdeling zulks dienstig oordeelt.
2. Is de Octrooiraad van oordeel, dat een aanvrage niet aan de wettelijk gestelde eisen voldoet, dan geeft hij de aanvrager daarvan kennis onder mededeling van de bestaande bezwaren en stelt hem in de gelegenheid tot opheffing daarvan, hetzij door zich schriftelijk binnen een behoorlijke termijn tegen de aangevoerde bezwaren te verweren, hetzij door aanvulling of verbetering van de oorspronkelijke aanvrage.
3. Na voltooiing van de in het eerste lid bedoelde voorbereiding stelt de Octrooiraad de aanvrage met de daarop betrekking hebbende stukken in handen van een door hem samen te stellen aanvraagafdeling, die de aanvrage in behandeling neemt.
4. Nadat de aanvrager door de aanvraagafdeling is gehoord, althans behoorlijk is opgeroepen, en hem zo nodig behoorlijk gelegenheid is gegeven haar bezwaren op te heffen, geeft zij haar beslissing zo spoedig mogelijk.
5. Alvorens omtrent de al of niet-openbaarmaking van de aanvrage te beslissen kan de aanvraagafdeling aan de Octrooiraad verzoeken een nader onderzoek als bedoeld in artikel 22I, eerste lid, in te stellen.
6. Indien de aanvrage in strijd is met het bij of krachtens artikel 5A bepaalde, wordt dit vastgesteld in een beslissing van de afdeling. Op verzoek van de aanvrager geschiedt dit zo spoedig mogelijk. Daartoe kan de aanvrage, op verzoek van de aanvrager, nog tijdens de voorbereiding in handen van een aanvraagafdeling worden gesteld. Het vierde lid en artikel 24, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Hangende de beslissing wordt voor het overige de behandeling van de aanvrage geschorst op verzoek van de aanvrager of indien de aanvraagafdeling zulks dienstig oordeelt.
- Wet
- Rijksoctrooiwet
- Citeren als
- Art. 23
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001879
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl