BWBR0004147
Geldig vanaf 2009-12-07
Artikel 24
Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
1. Indien ten aanzien van een procesfornuis waarin de vuurhaardtemperatuur hoger is dan 760° C, artikel 17, eerste lid, onder b, onder 1°, van toepassing is, kan het bevoegd gezag in plaats van de in bedoeld artikelonderdeel genoemde emissie-eis bij nadere eis - met inachtneming van het zesde lid en artikel 25, derde lid, - een emissie-eis vaststellen, waarvan de waarde wordt berekend door vermenigvuldiging van de in bedoeld artikelonderdeel aangegeven waarde met een factor voor de vuurhaardtemperatuur, zijnde:
waarbij T is de temperatuur, uitgedrukt in graden Celsius, gemeten in de vuurhaard in het gebied waar het stralingsgedeelte overgaat in het convectiegedeelte, afgeschermd van de vlam.
2. Indien ten aanzien van een stookinstallatie die sinds een voor 15 oktober 1992 gelegen tijdstip wordt bedreven met toepassing van luchtvoorverwarming:
a. artikel 16, vierde lid, aanhef en onder a,
b. artikel 16, vierde lid, aanhef en onder b, of
c. artikel 17, eerste lid, onder b, onder 1°,
van toepassing is, kan het bevoegd gezag in plaats van de emissie-eis, genoemd in het onder a, b, of c bedoelde artikelonderdeel, bij nadere eis - met inachtneming van het zesde lid en de toepasselijke bepalingen van artikel 25, eerste, tweede en derde lid, - een emissie-eis vaststellen, waarvan de waarde wordt berekend door vermenigvuldiging van de in het betrokken artikelonderdeel aangegeven waarde met een factor voor luchtvoorverwarming, zijnde:
waarbij t1 is de temperatuur van de toegevoerde lucht, uitgedrukt in graden Celsius.
3. Indien ten aanzien van een stookinstallatie waarin sinds een voor 15 oktober 1992 gelegen tijdstip een kwaliteit aardgas wordt gestookt, die afwijkt van de standaardkwaliteit, artikel 17, eerste lid, onder b, onder 1°, van toepassing is, kan het bevoegd gezag in plaats van de in bedoeld artikelonderdeel genoemde emissie-eis bij nadere eis - met inachtneming van artikel 25, derde lid, - een emissie-eis vaststellen, waarvan de waarde wordt berekend door vermenigvuldiging van de in bedoeld artikelonderdeel aangegeven waarde met een factor voor de kwaliteit aardgas die afwijkt van de standaardkwaliteit, zijnde:
waarbij Sa is de stookwaarde van het gebruikte aardgas, uitgedrukt in MJ/kg.
4. Indien ten aanzien van een stookinstallatie waarin een vloeibare brandstof met een stikstofgehalte van groter dan 0,3 procent wordt gestookt, die is gegenereerd in de inrichting waartoe de stookinstallatie behoort:
a. artikel 16, derde lid, of
b. artikel 16, vierde lid, aanhef en onder a,
van toepassing is, geldt - onverminderd artikel 25, eerste lid, - in plaats van de emissie-eis, genoemd in het onder a of b bedoelde artikellid of artikelonderdeel, een emissie-eis waarvan de waarde gelijk is aan de in het betrokken artikellid of artikelonderdeel aangegeven waarde, vermenigvuldigd met een factor voor de samenstelling van bedoelde vloeibare brandstof met een stikstofgehalte van n procent en n is groter dan 0,3, zijnde:
(1,76 - 1,41e-2,06n);
waarbij e is het grondgetal van de natuurlijke logaritme.
5. Indien ten aanzien van een stookinstallatie, waarin een gasvormige brandstof wordt gebruikt die is gegenereerd in de inrichting waartoe de stookinstallatie behoort, artikel 17, eerste lid, onder b, onder 1°, van toepassing is, geldt – onverminderd artikel 25, derde lid– in plaats van de emissie-eis, genoemd in artikel 17, eerste lid, onder b, onder 1°, een emissie-eis waarvan de waarde gelijk is aan de in dat artikellid aangegeven waarde, vermenigvuldigd met een factor voor de samenstelling van bedoelde gasvormige brandstof, zijnde:
(1 + mol fractie C3+) (1 + mol fractie H 2); waarbij C3+ staat voor koolwaterstoffen met meer dan drie koolstofatomen.
6. Ingeval bij een stookinstallatie zowel sprake is van een vuurhaardtemperatuur van hoger dan 760° C als van luchtvoorverwarming wordt slechts de factor voor de vuurhaardtemperatuur toegepast.
waarbij T is de temperatuur, uitgedrukt in graden Celsius, gemeten in de vuurhaard in het gebied waar het stralingsgedeelte overgaat in het convectiegedeelte, afgeschermd van de vlam.
2. Indien ten aanzien van een stookinstallatie die sinds een voor 15 oktober 1992 gelegen tijdstip wordt bedreven met toepassing van luchtvoorverwarming:
a. artikel 16, vierde lid, aanhef en onder a,
b. artikel 16, vierde lid, aanhef en onder b, of
c. artikel 17, eerste lid, onder b, onder 1°,
van toepassing is, kan het bevoegd gezag in plaats van de emissie-eis, genoemd in het onder a, b, of c bedoelde artikelonderdeel, bij nadere eis - met inachtneming van het zesde lid en de toepasselijke bepalingen van artikel 25, eerste, tweede en derde lid, - een emissie-eis vaststellen, waarvan de waarde wordt berekend door vermenigvuldiging van de in het betrokken artikelonderdeel aangegeven waarde met een factor voor luchtvoorverwarming, zijnde:
waarbij t1 is de temperatuur van de toegevoerde lucht, uitgedrukt in graden Celsius.
3. Indien ten aanzien van een stookinstallatie waarin sinds een voor 15 oktober 1992 gelegen tijdstip een kwaliteit aardgas wordt gestookt, die afwijkt van de standaardkwaliteit, artikel 17, eerste lid, onder b, onder 1°, van toepassing is, kan het bevoegd gezag in plaats van de in bedoeld artikelonderdeel genoemde emissie-eis bij nadere eis - met inachtneming van artikel 25, derde lid, - een emissie-eis vaststellen, waarvan de waarde wordt berekend door vermenigvuldiging van de in bedoeld artikelonderdeel aangegeven waarde met een factor voor de kwaliteit aardgas die afwijkt van de standaardkwaliteit, zijnde:
waarbij Sa is de stookwaarde van het gebruikte aardgas, uitgedrukt in MJ/kg.
4. Indien ten aanzien van een stookinstallatie waarin een vloeibare brandstof met een stikstofgehalte van groter dan 0,3 procent wordt gestookt, die is gegenereerd in de inrichting waartoe de stookinstallatie behoort:
a. artikel 16, derde lid, of
b. artikel 16, vierde lid, aanhef en onder a,
van toepassing is, geldt - onverminderd artikel 25, eerste lid, - in plaats van de emissie-eis, genoemd in het onder a of b bedoelde artikellid of artikelonderdeel, een emissie-eis waarvan de waarde gelijk is aan de in het betrokken artikellid of artikelonderdeel aangegeven waarde, vermenigvuldigd met een factor voor de samenstelling van bedoelde vloeibare brandstof met een stikstofgehalte van n procent en n is groter dan 0,3, zijnde:
(1,76 - 1,41e-2,06n);
waarbij e is het grondgetal van de natuurlijke logaritme.
5. Indien ten aanzien van een stookinstallatie, waarin een gasvormige brandstof wordt gebruikt die is gegenereerd in de inrichting waartoe de stookinstallatie behoort, artikel 17, eerste lid, onder b, onder 1°, van toepassing is, geldt – onverminderd artikel 25, derde lid– in plaats van de emissie-eis, genoemd in artikel 17, eerste lid, onder b, onder 1°, een emissie-eis waarvan de waarde gelijk is aan de in dat artikellid aangegeven waarde, vermenigvuldigd met een factor voor de samenstelling van bedoelde gasvormige brandstof, zijnde:
(1 + mol fractie C3+) (1 + mol fractie H 2); waarbij C3+ staat voor koolwaterstoffen met meer dan drie koolstofatomen.
6. Ingeval bij een stookinstallatie zowel sprake is van een vuurhaardtemperatuur van hoger dan 760° C als van luchtvoorverwarming wordt slechts de factor voor de vuurhaardtemperatuur toegepast.