BWBR0004147
Geldig vanaf 2009-12-07
Artikel 28
Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
1. Het bevoegd gezag kan, de inspecteur gehoord, voor een bestaande stookinstallatie minder strenge emissie-eisen dan de in de artikelen 15, vierde lid, 16, derde lid, 17, eerste lid, 20a, tweede lid, onder b, en 20a, vijfde lid, gestelde emissie-eisen stellen, voor zover naar zijn oordeel de installatie, gezien de actuele stand der techniek, niet zodanig kan worden aangepast of verbouwd dat aan het bepaalde in genoemde artikelleden kan worden voldaan.
2. Het bevoegd gezag kan, de inspecteur gehoord, voor een gasturbine-installatie waarvoor voor 15 oktober 1992 vergunning is verleend een minder strenge emissie-eis stellen dan de in artikel 20, eerste lid, onder e, gestelde emissie-eis voor zover naar zijn oordeel de gasturbine-installatie gezien de actuele stand der techniek niet zodanig kan worden aangepast of verbouwd dat aan laatstgenoemd artikelonderdeel kan worden voldaan.
3. Het bevoegd gezag kan, de inspecteur gehoord, voor een bestaande zuigermotor voor andere gassen dan aardgas of voor een bestaande zuigermotor als bedoeld in artikel 2, onder a, aanhef en onder 2°, een minder strenge emissie-eis stellen dan de in artikel 23agestelde emissie-eis voor zover naar zijn oordeel de zuigermotor gezien de actuele stand der techniek niet zodanig kan worden aangepast of verbouwd dat aan laatstgenoemd artikelonderdeel kan worden voldaan.
4. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is slechts van toepassing, indien een desbetreffend voorschrift vóór het tijdstip waarop het bepaalde in een in dat lid genoemd artikel op de stookinstallatie van toepassing wordt, in de vergunning is opgenomen.
5. Het bevoegd gezag kan, de inspecteur gehoord, voor een stookinstallatie in de procesindustrie minder strenge emissie-eisen stellen:
a. in de in het zevende en achtste lid aangegeven gevallen, voor zover naar zijn oordeel bij de actuele stand van de techniek de stookinstallatie niet zodanig kan worden gebouwd, onderscheidenlijk aangepast of verbouwd, dat aan het bepaalde in die leden kan worden voldaan;
b. in de in het negende lid aangegeven geval, voor zover naar zijn oordeel bij de actuele stand van de techniek de bestaande stookinstallatie niet zodanig kan worden aangepast of verbouwd, dat aan het bepaalde in dat lid kan worden voldaan.
6. De actuele stand van de techniek, bedoeld in het vijfde lid, dient mede te worden bezien in relatie tot het in het belang van het milieu verantwoorde gebruik van in de inrichting gegenereerde brandstoffen en voor zover het een procesfornuis betreft, de voor het proces noodzakelijke wijze van bedrijven van dat procesfornuis.
7. Voor een stookinstallatie waarvoor in de periode van 1 augustus 1988 tot en met 30 april 1998 vergunning is verleend, kan een minder strenge emissie-eis gesteld worden dan de krachtens artikel 13, tweede lid, onder b, derde lid, onder b of c, of vierde lid, onder b of c, gestelde emissie-eisen, maar tot en met 31 december 2007 niet minder streng dan 350 mg/m 3en na deze datum niet minder streng dan:
a. 350 mg/m3 indien de installatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 MW;
b. 300 mg/m3 indien de installatie een thermisch vermogen heeft van 50 MW of meer, maar minder dan 500 MW;
c. 200 mg/m3 indien de installatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer.
8. Voor een procesfornuis waarvoor op of na 1 mei 1998 vergunning is verleend, kan, ingeval door toepassing van luchtvoorverwarming niet aan de eis met betrekking tot stikstofoxiden kan worden voldaan, een minder strenge emissie-eis gesteld worden dan:
a. de krachtens artikel 13, tweede lid, onder c, onder 2°, gestelde emissie-eis, maar niet minder streng dan 160 mg/m3 ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en 200 mg/m3 in de overige gevallen;
b. de krachtens artikel 13, derde lid, onder d, onder 2°, gestelde emissie-eis, maar niet minder streng dan 130 mg/m3 ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en 150 mg/3 in de overige gevallen.
9. Voor een bestaande stookinstallatie kan een minder strenge emissiegrenswaarde worden gesteld dan:
a. de krachtens artikel 16, vierde lid juncto artikel 24 geldende waarde, maar niet minder streng dan: 1°. 700 milligram per normaal kubieke meter, indien de installatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 450 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 400 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer;
1°. 700 milligram per normaal kubieke meter, indien de installatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 450 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 400 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer;
b. de krachtens artikel 17, eerste lid, onder b, juncto artikel 24 geldende emissiegrenswaarde, maar niet minder streng dan: 1°. 500 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 300 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
1°. 500 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 300 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
10. Het bevoegd gezag kan, de inspecteur gehoord, met inachtneming van de eisen van richtlijn 2001/80/EGvan het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PbEG L 309), voor een stookinstallatie minder strenge emissie-eisen met betrekking tot stikstofoxiden dan de in de artikelen 11, derde lid, 12, derde en vierde lid, 13, tweede tot en met vierde lid, 15, vierde lid, onder a, 16, derde lid, onder a en vierde lid, 17, eerste lid, onderdeel a, sub 1°, en onderdeel b, en 20 tot en met 23agestelde emissie-eisen stellen, voorzover naar zijn oordeel afdoende wordt aangetoond dat laatstbedoelde eisen strenger zijn dan de eisen die zouden voortvloeien uit de eis dat de voor de betrokken inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
11. Het bevoegd gezag doet onverwijld mededeling aan Onze Minister van beslissingen op grond van dit artikel.
12. Door het bevoegd gezag krachtens het vijfde tot en met achtste lid vastgestelde emissie-eisen die betrekking hebben op stookinstallaties met een thermisch vermogen van 50 MW of meer als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onder b, derde lid, onder b of c, of vierde lid, onder b of c, komen met ingang van 1 januari 2008 te vervallen, indien deze eisen minder streng zijn dan:
a. voor een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 500 MW: 300 mg/m3;
b. voor een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 500 MW of meer: 200 mg/m3,
in welke gevallen de onder a of b genoemde emissie-eis in de plaats treedt van de door het bevoegd gezag vastgestelde emissie-eis totdat het bevoegd gezag de vergunning op dit punt in overeenstemming brengt met dit besluit.
13. Door het bevoegd gezag vastgestelde emissiegrenswaarden voor installaties als bedoeld in het negende lid komen te vervallen, indien die waarden minder streng zijn dan de in het negende lid genoemde waarden, in welke gevallen laatstbedoelde waarden van rechtswege in de plaats treden van de door het bevoegd gezag vastgestelde emissiegrenswaarden.
2. Het bevoegd gezag kan, de inspecteur gehoord, voor een gasturbine-installatie waarvoor voor 15 oktober 1992 vergunning is verleend een minder strenge emissie-eis stellen dan de in artikel 20, eerste lid, onder e, gestelde emissie-eis voor zover naar zijn oordeel de gasturbine-installatie gezien de actuele stand der techniek niet zodanig kan worden aangepast of verbouwd dat aan laatstgenoemd artikelonderdeel kan worden voldaan.
3. Het bevoegd gezag kan, de inspecteur gehoord, voor een bestaande zuigermotor voor andere gassen dan aardgas of voor een bestaande zuigermotor als bedoeld in artikel 2, onder a, aanhef en onder 2°, een minder strenge emissie-eis stellen dan de in artikel 23agestelde emissie-eis voor zover naar zijn oordeel de zuigermotor gezien de actuele stand der techniek niet zodanig kan worden aangepast of verbouwd dat aan laatstgenoemd artikelonderdeel kan worden voldaan.
4. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is slechts van toepassing, indien een desbetreffend voorschrift vóór het tijdstip waarop het bepaalde in een in dat lid genoemd artikel op de stookinstallatie van toepassing wordt, in de vergunning is opgenomen.
5. Het bevoegd gezag kan, de inspecteur gehoord, voor een stookinstallatie in de procesindustrie minder strenge emissie-eisen stellen:
a. in de in het zevende en achtste lid aangegeven gevallen, voor zover naar zijn oordeel bij de actuele stand van de techniek de stookinstallatie niet zodanig kan worden gebouwd, onderscheidenlijk aangepast of verbouwd, dat aan het bepaalde in die leden kan worden voldaan;
b. in de in het negende lid aangegeven geval, voor zover naar zijn oordeel bij de actuele stand van de techniek de bestaande stookinstallatie niet zodanig kan worden aangepast of verbouwd, dat aan het bepaalde in dat lid kan worden voldaan.
6. De actuele stand van de techniek, bedoeld in het vijfde lid, dient mede te worden bezien in relatie tot het in het belang van het milieu verantwoorde gebruik van in de inrichting gegenereerde brandstoffen en voor zover het een procesfornuis betreft, de voor het proces noodzakelijke wijze van bedrijven van dat procesfornuis.
7. Voor een stookinstallatie waarvoor in de periode van 1 augustus 1988 tot en met 30 april 1998 vergunning is verleend, kan een minder strenge emissie-eis gesteld worden dan de krachtens artikel 13, tweede lid, onder b, derde lid, onder b of c, of vierde lid, onder b of c, gestelde emissie-eisen, maar tot en met 31 december 2007 niet minder streng dan 350 mg/m 3en na deze datum niet minder streng dan:
a. 350 mg/m3 indien de installatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 MW;
b. 300 mg/m3 indien de installatie een thermisch vermogen heeft van 50 MW of meer, maar minder dan 500 MW;
c. 200 mg/m3 indien de installatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer.
8. Voor een procesfornuis waarvoor op of na 1 mei 1998 vergunning is verleend, kan, ingeval door toepassing van luchtvoorverwarming niet aan de eis met betrekking tot stikstofoxiden kan worden voldaan, een minder strenge emissie-eis gesteld worden dan:
a. de krachtens artikel 13, tweede lid, onder c, onder 2°, gestelde emissie-eis, maar niet minder streng dan 160 mg/m3 ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en 200 mg/m3 in de overige gevallen;
b. de krachtens artikel 13, derde lid, onder d, onder 2°, gestelde emissie-eis, maar niet minder streng dan 130 mg/m3 ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en 150 mg/3 in de overige gevallen.
9. Voor een bestaande stookinstallatie kan een minder strenge emissiegrenswaarde worden gesteld dan:
a. de krachtens artikel 16, vierde lid juncto artikel 24 geldende waarde, maar niet minder streng dan: 1°. 700 milligram per normaal kubieke meter, indien de installatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 450 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 400 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer;
1°. 700 milligram per normaal kubieke meter, indien de installatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 450 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 400 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer;
b. de krachtens artikel 17, eerste lid, onder b, juncto artikel 24 geldende emissiegrenswaarde, maar niet minder streng dan: 1°. 500 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 300 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
1°. 500 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 300 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
10. Het bevoegd gezag kan, de inspecteur gehoord, met inachtneming van de eisen van richtlijn 2001/80/EGvan het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PbEG L 309), voor een stookinstallatie minder strenge emissie-eisen met betrekking tot stikstofoxiden dan de in de artikelen 11, derde lid, 12, derde en vierde lid, 13, tweede tot en met vierde lid, 15, vierde lid, onder a, 16, derde lid, onder a en vierde lid, 17, eerste lid, onderdeel a, sub 1°, en onderdeel b, en 20 tot en met 23agestelde emissie-eisen stellen, voorzover naar zijn oordeel afdoende wordt aangetoond dat laatstbedoelde eisen strenger zijn dan de eisen die zouden voortvloeien uit de eis dat de voor de betrokken inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
11. Het bevoegd gezag doet onverwijld mededeling aan Onze Minister van beslissingen op grond van dit artikel.
12. Door het bevoegd gezag krachtens het vijfde tot en met achtste lid vastgestelde emissie-eisen die betrekking hebben op stookinstallaties met een thermisch vermogen van 50 MW of meer als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onder b, derde lid, onder b of c, of vierde lid, onder b of c, komen met ingang van 1 januari 2008 te vervallen, indien deze eisen minder streng zijn dan:
a. voor een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 500 MW: 300 mg/m3;
b. voor een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 500 MW of meer: 200 mg/m3,
in welke gevallen de onder a of b genoemde emissie-eis in de plaats treedt van de door het bevoegd gezag vastgestelde emissie-eis totdat het bevoegd gezag de vergunning op dit punt in overeenstemming brengt met dit besluit.
13. Door het bevoegd gezag vastgestelde emissiegrenswaarden voor installaties als bedoeld in het negende lid komen te vervallen, indien die waarden minder streng zijn dan de in het negende lid genoemde waarden, in welke gevallen laatstbedoelde waarden van rechtswege in de plaats treden van de door het bevoegd gezag vastgestelde emissiegrenswaarden.