BWBR0030630
Geldig vanaf 23-10-2011
Artikel 11
Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011
1. De ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent, handelt in overeenstemming met het in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1177/2006 neergelegde verbod op het gebruik van antimicrobiële stoffen.
2. De voorzitter stelt op grond van de uitslag van de serotypering als bedoeld in artikel 10, tweede lid, dan wel van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, een besmetting met een bepaald serotype Salmonella vast bij een stalkoppel opfokleghennen of leghennen, en meldt deze vaststelling schriftelijk aan de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent.
3. De ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent laat een met het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium besmet stalkoppel opfokleghennen of leghennen ruimen en consumptie-eieren afkomstig van het stalkoppel leghennen verwerken of vernietigen, nadat hij een daartoe strekkende last van de voorzitter heeft gekregen en overeenkomstig het bepaalde in deze last.
4. De ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent is verplicht om de in het derde lid bedoelde last onverwijld op te volgen.
5. In het geval de voorzitter een besmetting met het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium heeft vastgesteld, laat de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent onverwijld na het ruimen van het stalkoppel dan wel na het afvoeren van het stalkoppel uit de stal, de stal reinigen en deze door een ontsmettingsbedrijf ontsmetten.
6. De ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent laat na het reinigen en ontsmetten als bedoeld in het vijfde lid onverwijld een stalonderzoek uitvoeren, gericht op de serotypen Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium.
7. Indien op grond van het stalonderzoek als bedoeld in het zesde lid het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium in de stal is aangetoond, laat de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent de in het vijfde lid bedoelde reiniging en ontsmetting opnieuw uitvoeren, totdat het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium niet meer in de stal is aangetoond.
8. Na de herhaalde reiniging en ontsmetting als bedoeld in het zevende lid, laat de ondernemer die een leghennenbedrijf of opfokleghennenbedrijf uitoefent opnieuw een stalonderzoek uitvoeren, totdat het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium niet meer in de stal is aangetoond.
9. Slechts indien op grond van het stalonderzoek als bedoeld in het zesde of achtste lid het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium niet meer in de stal wordt aangetoond, mag de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent een stalkoppel in de stal plaatsen. Hij is verplicht de plaatsing van een stalkoppel tijdig te melden aan de voorzitter.
10. In het geval de voorzitter een besmetting met Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium bij een stalkoppel opfokleghennen heeft vastgesteld, voert de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf uitoefent een traceringsonderzoek uit, voordat hij een stalkoppel in de stal plaatst.
11. In het geval de voorzitter een besmetting met het serotype Salmonella Enteritidis bij een stalkoppel leghennen heeft vastgesteld op een leghennenbedrijf, plaatst de ondernemer die het leghennenbedrijf uitoefent op het gehele bedrijf uitsluitend tegen het serotype Salmonella Enteritidis gevaccineerde stalkoppels leghennen. In het geval de voorzitter een besmetting met Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium bij een stalkoppel leghennen heeft vastgesteld, neemt de ondernemer die een leghennenbedrijf uitoefent de door het bestuur bij besluit opgenomen maatregelen ten aanzien van het merken van de eieren, de plaatsing van stalkoppels leghennen en het graan dat hij aan de leghennen voert.
2. De voorzitter stelt op grond van de uitslag van de serotypering als bedoeld in artikel 10, tweede lid, dan wel van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, een besmetting met een bepaald serotype Salmonella vast bij een stalkoppel opfokleghennen of leghennen, en meldt deze vaststelling schriftelijk aan de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent.
3. De ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent laat een met het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium besmet stalkoppel opfokleghennen of leghennen ruimen en consumptie-eieren afkomstig van het stalkoppel leghennen verwerken of vernietigen, nadat hij een daartoe strekkende last van de voorzitter heeft gekregen en overeenkomstig het bepaalde in deze last.
4. De ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent is verplicht om de in het derde lid bedoelde last onverwijld op te volgen.
5. In het geval de voorzitter een besmetting met het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium heeft vastgesteld, laat de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent onverwijld na het ruimen van het stalkoppel dan wel na het afvoeren van het stalkoppel uit de stal, de stal reinigen en deze door een ontsmettingsbedrijf ontsmetten.
6. De ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent laat na het reinigen en ontsmetten als bedoeld in het vijfde lid onverwijld een stalonderzoek uitvoeren, gericht op de serotypen Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium.
7. Indien op grond van het stalonderzoek als bedoeld in het zesde lid het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium in de stal is aangetoond, laat de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent de in het vijfde lid bedoelde reiniging en ontsmetting opnieuw uitvoeren, totdat het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium niet meer in de stal is aangetoond.
8. Na de herhaalde reiniging en ontsmetting als bedoeld in het zevende lid, laat de ondernemer die een leghennenbedrijf of opfokleghennenbedrijf uitoefent opnieuw een stalonderzoek uitvoeren, totdat het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium niet meer in de stal is aangetoond.
9. Slechts indien op grond van het stalonderzoek als bedoeld in het zesde of achtste lid het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium niet meer in de stal wordt aangetoond, mag de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent een stalkoppel in de stal plaatsen. Hij is verplicht de plaatsing van een stalkoppel tijdig te melden aan de voorzitter.
10. In het geval de voorzitter een besmetting met Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium bij een stalkoppel opfokleghennen heeft vastgesteld, voert de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf uitoefent een traceringsonderzoek uit, voordat hij een stalkoppel in de stal plaatst.
11. In het geval de voorzitter een besmetting met het serotype Salmonella Enteritidis bij een stalkoppel leghennen heeft vastgesteld op een leghennenbedrijf, plaatst de ondernemer die het leghennenbedrijf uitoefent op het gehele bedrijf uitsluitend tegen het serotype Salmonella Enteritidis gevaccineerde stalkoppels leghennen. In het geval de voorzitter een besmetting met Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium bij een stalkoppel leghennen heeft vastgesteld, neemt de ondernemer die een leghennenbedrijf uitoefent de door het bestuur bij besluit opgenomen maatregelen ten aanzien van het merken van de eieren, de plaatsing van stalkoppels leghennen en het graan dat hij aan de leghennen voert.
- Citeren als
- Art. 11
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0030630
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl