BWBR0030630
Geldig vanaf 23-10-2011
Artikel 4
Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011
1. De ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent draagt er zorg voor dat een onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op zijn bedrijf aanwezige stalkoppels plaatsvindt door middel van het nemen van monsters, detectie en, in geval van Salmonella, serotypering.
2. Indien het voor detectie erkende laboratorium de aanwezigheid van Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft gedetecteerd, laat de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent deze monsters onverwijld na de detectie serotyperen door een voor serotypering erkend laboratorium.
3. Indien het voor serotypering erkende laboratorium het serotype Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis of Salmonella Virchow dan wel enig ander door het bestuur bij besluit vast te stellen serotype Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft bepaald, draagt de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent er zorg voor dat dit binnen één werkdag nadat de uitslag van de serotypering bij hem bekend is, aan de voorzitter en aan GD is gemeld.
4. Na de melding als bedoeld in het derde lid kan de voorzitter door GD een verificatieonderzoek laten uitvoeren van het bemonsterde stalkoppel.
5. In het geval de voorzitter het in het vierde lid bedoelde verificatieonderzoek laat uitvoeren, is het de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent niet toegestaan het aanwezige pluimvee en de aanwezige broedeieren van het bedrijf af te voeren totdat de voorzitter hiervoor toestemming geeft.
2. Indien het voor detectie erkende laboratorium de aanwezigheid van Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft gedetecteerd, laat de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent deze monsters onverwijld na de detectie serotyperen door een voor serotypering erkend laboratorium.
3. Indien het voor serotypering erkende laboratorium het serotype Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis of Salmonella Virchow dan wel enig ander door het bestuur bij besluit vast te stellen serotype Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft bepaald, draagt de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent er zorg voor dat dit binnen één werkdag nadat de uitslag van de serotypering bij hem bekend is, aan de voorzitter en aan GD is gemeld.
4. Na de melding als bedoeld in het derde lid kan de voorzitter door GD een verificatieonderzoek laten uitvoeren van het bemonsterde stalkoppel.
5. In het geval de voorzitter het in het vierde lid bedoelde verificatieonderzoek laat uitvoeren, is het de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent niet toegestaan het aanwezige pluimvee en de aanwezige broedeieren van het bedrijf af te voeren totdat de voorzitter hiervoor toestemming geeft.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0030630
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl