BWBR0030630
Geldig vanaf 23-10-2011
Artikel 2
Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011
1. De ondernemer draagt zorg voor het volgende of neemt het volgende in acht:
a. de aanwezigheid van huisdieren, landbouwhuisdieren en ander pluimvee, sier- en nutsgevogelte binnen het bedrijfsgebouw is verboden;
b. indien een huisdier, landbouwhuisdier of ander pluimvee, sier- of nutsgevogelte wordt gehouden op het perceel waar het pluimveebedrijf of de kuikenbroederij wordt uitgeoefend, wordt dit dier zodanig gehouden en verzorgd dat dit dier niet in het bedrijfsgebouw kan komen en strikt gescheiden is van het pluimvee, de consumptie-eieren en de broedeieren;
c. het bedrijfsgebouw is zodanig ingericht dat vogels het bedrijfsgebouw niet kunnen binnenkomen; voor pluimveebedrijven met vrije uitloop zijn openingen die noodzakelijk zijn voor de vrije uitloop toegestaan;
d. nadat het pluimvee uit de stal is afgevoerd verwijdert de ondernemer onverwijld de in de stal aanwezige mest en het strooisel en reinigt en ontsmet hij vervolgens onverwijld de stal;
e. na afvoer van pluimvee reinigt en ontsmet de ondernemer die een kuikenbroederij uitoefent onverwijld de gebruikte lokalen en broedkasten;
f. de ondernemer draagt zorg voor een adequate bestrijding van ongedierte;
g. de ondernemer heeft een ongediertebestrijdingsplan op het bedrijf aanwezig en zorgt er voor dat dit plan wordt uitgevoerd. In het geval een ongediertebestrijdingsbedrijf is ingeschakeld moet dit ten minste één maal per twee maanden op het bedrijf ongedierte bestrijden;
h. de resultaten van acties met betrekking tot wering, signalering en bestrijding van ongedierte worden vastgelegd;
i. het ongediertebestrijdingsplan bevat maatregelen die moeten worden genomen als de resultaten als bedoeld in h. hiertoe aanleiding geven;
j. de ondernemer laat de kwaliteit van het drinkwater onderzoeken overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen besluit;
k. de inrichting van de stal is zodanig dat deze eenvoudig is te reinigen en te ontsmetten;
l. het perceel waarop het bedrijfsgebouw staat, is zodanig ingericht dat de perceelgrenzen herkenbaar zijn en het voor bezoekers duidelijk is waar zij zich moeten melden;
m. het bedrijfsgebouw, de inventaris en de directe omgeving van het bedrijfsgebouw zijn visueel schoon;
n. het bedrijfsgebouw is zodanig ingericht dat ongehinderde toegang door derden niet mogelijk is;
o. in het bedrijfsgebouw is een voorruimte aanwezig die volledig is afgescheiden van de stal waarin het pluimvee wordt gehouden;
p. tussen de voorruimte en de stal is een fysieke scheiding aangebracht in een bufferdeel en een deel waarin het pluimvee wordt gehouden;
q. het is de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee in kooien houdt, toegestaan af te wijken van de onderdelen o. en p. mits hij wel voldoet aan de door het bestuur bij besluit vast te stellen eisen inzake het wisselen van schoeisel;
r. de looproutes van en naar het bedrijfsgebouw zijn zodanig verhard dat deze deugdelijk gereinigd kunnen worden;
s. op het perceel is een deugdelijk functionerende afwatering ten opzichte van het bedrijfsgebouw aanwezig;
t. de voedersilo is geplaatst op een verharde ondergrond en wordt van buiten de stal gevuld; indien meerdere voedersilo's aanwezig zijn op het bedrijf, zijn deze voorzien van een bedrijfsuniek nummer;
u. bij het lossen van het voeder wordt gebruik gemaakt van een bedrijfseigen of eenmalig te gebruiken stofopvangmiddel;
v. voeder, bodem- en neststrooisel en verpakkingsmateriaal voor consumptie-eieren en broedeieren worden zodanig opgeslagen dat deze schoon, droog en schimmelvrij blijven;
w. voeder dat na het afvoeren van het pluimvee uit de stal nog aanwezig is in het voedersysteem van de stal wordt afgevoerd vóór het plaatsen van een stalkoppel pluimvee;
x. mest afkomstig van met Salmonella besmette stalkoppels wordt niet in de omgeving van het pluimveebedrijf uitgereden.
2. Het bestuur stelt bij besluit nadere regels vast ten aanzien van het in het eerste lid bepaalde.
a. de aanwezigheid van huisdieren, landbouwhuisdieren en ander pluimvee, sier- en nutsgevogelte binnen het bedrijfsgebouw is verboden;
b. indien een huisdier, landbouwhuisdier of ander pluimvee, sier- of nutsgevogelte wordt gehouden op het perceel waar het pluimveebedrijf of de kuikenbroederij wordt uitgeoefend, wordt dit dier zodanig gehouden en verzorgd dat dit dier niet in het bedrijfsgebouw kan komen en strikt gescheiden is van het pluimvee, de consumptie-eieren en de broedeieren;
c. het bedrijfsgebouw is zodanig ingericht dat vogels het bedrijfsgebouw niet kunnen binnenkomen; voor pluimveebedrijven met vrije uitloop zijn openingen die noodzakelijk zijn voor de vrije uitloop toegestaan;
d. nadat het pluimvee uit de stal is afgevoerd verwijdert de ondernemer onverwijld de in de stal aanwezige mest en het strooisel en reinigt en ontsmet hij vervolgens onverwijld de stal;
e. na afvoer van pluimvee reinigt en ontsmet de ondernemer die een kuikenbroederij uitoefent onverwijld de gebruikte lokalen en broedkasten;
f. de ondernemer draagt zorg voor een adequate bestrijding van ongedierte;
g. de ondernemer heeft een ongediertebestrijdingsplan op het bedrijf aanwezig en zorgt er voor dat dit plan wordt uitgevoerd. In het geval een ongediertebestrijdingsbedrijf is ingeschakeld moet dit ten minste één maal per twee maanden op het bedrijf ongedierte bestrijden;
h. de resultaten van acties met betrekking tot wering, signalering en bestrijding van ongedierte worden vastgelegd;
i. het ongediertebestrijdingsplan bevat maatregelen die moeten worden genomen als de resultaten als bedoeld in h. hiertoe aanleiding geven;
j. de ondernemer laat de kwaliteit van het drinkwater onderzoeken overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen besluit;
k. de inrichting van de stal is zodanig dat deze eenvoudig is te reinigen en te ontsmetten;
l. het perceel waarop het bedrijfsgebouw staat, is zodanig ingericht dat de perceelgrenzen herkenbaar zijn en het voor bezoekers duidelijk is waar zij zich moeten melden;
m. het bedrijfsgebouw, de inventaris en de directe omgeving van het bedrijfsgebouw zijn visueel schoon;
n. het bedrijfsgebouw is zodanig ingericht dat ongehinderde toegang door derden niet mogelijk is;
o. in het bedrijfsgebouw is een voorruimte aanwezig die volledig is afgescheiden van de stal waarin het pluimvee wordt gehouden;
p. tussen de voorruimte en de stal is een fysieke scheiding aangebracht in een bufferdeel en een deel waarin het pluimvee wordt gehouden;
q. het is de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee in kooien houdt, toegestaan af te wijken van de onderdelen o. en p. mits hij wel voldoet aan de door het bestuur bij besluit vast te stellen eisen inzake het wisselen van schoeisel;
r. de looproutes van en naar het bedrijfsgebouw zijn zodanig verhard dat deze deugdelijk gereinigd kunnen worden;
s. op het perceel is een deugdelijk functionerende afwatering ten opzichte van het bedrijfsgebouw aanwezig;
t. de voedersilo is geplaatst op een verharde ondergrond en wordt van buiten de stal gevuld; indien meerdere voedersilo's aanwezig zijn op het bedrijf, zijn deze voorzien van een bedrijfsuniek nummer;
u. bij het lossen van het voeder wordt gebruik gemaakt van een bedrijfseigen of eenmalig te gebruiken stofopvangmiddel;
v. voeder, bodem- en neststrooisel en verpakkingsmateriaal voor consumptie-eieren en broedeieren worden zodanig opgeslagen dat deze schoon, droog en schimmelvrij blijven;
w. voeder dat na het afvoeren van het pluimvee uit de stal nog aanwezig is in het voedersysteem van de stal wordt afgevoerd vóór het plaatsen van een stalkoppel pluimvee;
x. mest afkomstig van met Salmonella besmette stalkoppels wordt niet in de omgeving van het pluimveebedrijf uitgereden.
2. Het bestuur stelt bij besluit nadere regels vast ten aanzien van het in het eerste lid bepaalde.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0030630
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl