BWBR0030630
Geldig vanaf 23-10-2011
Artikel 7
Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011
1. De ondernemer die een kuikenbroederij uitoefent draagt er zorg voor dat een onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella plaatsvindt door middel van het nemen van monsters, detectie en, in geval van Salmonella, serotypering.
2. Indien het voor detectie van Salmonella erkende laboratorium de aanwezigheid van Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft gedetecteerd, laat de ondernemer die een kuikenbroederij uitoefent deze monsters onverwijld na de detectie serotyperen door een voor serotypering erkend laboratorium.
3. Indien het voor serotypering erkende laboratorium het serotype Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis of Salmonella Virchow dan wel enig ander door het bestuur bij besluit vast te stellen serotype Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft bepaald, draagt de ondernemer die een kuikenbroederij uitoefent er zorg voor dat dit binnen één werkdag nadat de uitslag van de serotypering bij hem bekend is, aan de voorzitter en aan GD is gemeld.
4. Na de melding als bedoeld in het derde lid kan de voorzitter door GD een verificatieonderzoek laten uitvoeren van het stalkoppel fokpluimvee of vermeerderingspluimvee dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de in het eerste lid bedoelde monsters afkomstig zijn.
2. Indien het voor detectie van Salmonella erkende laboratorium de aanwezigheid van Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft gedetecteerd, laat de ondernemer die een kuikenbroederij uitoefent deze monsters onverwijld na de detectie serotyperen door een voor serotypering erkend laboratorium.
3. Indien het voor serotypering erkende laboratorium het serotype Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis of Salmonella Virchow dan wel enig ander door het bestuur bij besluit vast te stellen serotype Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft bepaald, draagt de ondernemer die een kuikenbroederij uitoefent er zorg voor dat dit binnen één werkdag nadat de uitslag van de serotypering bij hem bekend is, aan de voorzitter en aan GD is gemeld.
4. Na de melding als bedoeld in het derde lid kan de voorzitter door GD een verificatieonderzoek laten uitvoeren van het stalkoppel fokpluimvee of vermeerderingspluimvee dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de in het eerste lid bedoelde monsters afkomstig zijn.
- Citeren als
- Art. 7
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0030630
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl