BWBR0043660
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 4.103
Invoeringswet Omgevingswet
1. Als het ontwerp van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordeningwaarvoor op grond van artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordeningof artikel 4.2, derde lid, of 4.4, derde lid van die wet, in samenhang met artikel 3.7 van die wet, een voorbereidingsbesluit is genomen, voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, blijft op dat voorbereidingsbesluit het oude recht van toepassing tot het plan van kracht is.
2. Als het ontwerp van een bestemmingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, geldt een voorbereidingsbesluit dat op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordeningis vastgesteld door de gemeenteraad als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, vanaf de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet.
3. Als het ontwerp van een bestemmingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, geldt een voorbereidingsbesluit dat op grond van artikel 4.2, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningis vastgesteld door gedeputeerde staten als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, af op het moment dat het omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.
4. Als het ontwerp van een bestemmingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, geldt een voorbereidingsbesluit dat op grond van artikel 4.4, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningis vastgesteld door Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, af op het moment dat het omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.
2. Als het ontwerp van een bestemmingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, geldt een voorbereidingsbesluit dat op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordeningis vastgesteld door de gemeenteraad als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, vanaf de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet.
3. Als het ontwerp van een bestemmingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, geldt een voorbereidingsbesluit dat op grond van artikel 4.2, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningis vastgesteld door gedeputeerde staten als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, af op het moment dat het omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.
4. Als het ontwerp van een bestemmingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, geldt een voorbereidingsbesluit dat op grond van artikel 4.4, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningis vastgesteld door Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, af op het moment dat het omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.