BWBR0053154
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 15
Regeling Nederlandse identiteitskaart
1. Indien zijn eerder uitgereikte Nederlandse identiteitskaart mogelijk voorwerp is van fraude, is vermist of op andere gronden dan ingevolge de wet door een daartoe bevoegde autoriteit is ingenomen, kan de aanvrager een aanvraag voor een Nederlandse identiteitskaart indienen, indien hij de vermissing, mogelijke fraude, onderscheidenlijke inname, overeenkomstig artikel 52 meldt of heeft gemeld.
2. In de aanvraag worden vermeld:
a. mogelijke fraude, de vermissing, of inname op andere gronden dan ingevolge de wet,
b. het nummer van de desbetreffende Nederlandse identiteitskaart en de autoriteit die het heeft verstrekt, en
c. de datum waarop de in artikel 52, tweede tot en met zesde lid, bedoelde schriftelijke dan wel elektronische verklaringen, zijn afgelegd.
3. Indien een gegeven als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b of c, niet voorhanden is, wordt hiernaar een gericht onderzoek ingesteld.
2. In de aanvraag worden vermeld:
a. mogelijke fraude, de vermissing, of inname op andere gronden dan ingevolge de wet,
b. het nummer van de desbetreffende Nederlandse identiteitskaart en de autoriteit die het heeft verstrekt, en
c. de datum waarop de in artikel 52, tweede tot en met zesde lid, bedoelde schriftelijke dan wel elektronische verklaringen, zijn afgelegd.
3. Indien een gegeven als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b of c, niet voorhanden is, wordt hiernaar een gericht onderzoek ingesteld.
- Citeren als
- Art. 15
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0053154
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl