BWBR0006727
Geldig vanaf 2004-12-06
Artikel 10.16
Regeling keuring en handel dierlijke producten
1. Indien de keuringsdierenarts constateert dat de in bijlage IV vastgestelde richtsnoeren voor de produktie van vleesbereidingen herhaaldelijk niet worden nageleefd, kan onderscheidenlijk moet hij de maatregelen nemen, bedoeld in artikel 8, derde lid, van richtlijn 94/65/EG.
2. Indien de keuringsdierenarts een duidelijke overtreding van de voorschriften van dit hoofdstuk of een belemmering van een adequate keuring constateert, kan onderscheidenlijk moet hij de maatregelen nemen, bedoeld in artikel 8, vierde lid, eerste alinea, van richtlijn 94/65/EG.
3. Indien de keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de maatregelen, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, niet hebben geleid tot verbetering of opheffing van de geconstateerde gebreken, dan wel indien keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de artikelen 10.13, 10.14 en 10.15 anderszins niet of slechts gedeeltelijk worden nageleefd, schort de minister een op grond van artikel 10.13afgegeven of afgegeven geachte erkenning op. Opschorting geschiedt niet dan na voorafgaande waarschuwing en na het verstrijken van een daarbij te stellen termijn, waarbinnen alsnog aan de betrokken voorschriften dient te zijn voldaan.
4. Indien de geconstateerde gebreken niet binnen een daartoe bij de opschorting, bedoeld in het derde lid, gestelde termijn zijn verholpen, trekt de minister de erkenning in.
2. Indien de keuringsdierenarts een duidelijke overtreding van de voorschriften van dit hoofdstuk of een belemmering van een adequate keuring constateert, kan onderscheidenlijk moet hij de maatregelen nemen, bedoeld in artikel 8, vierde lid, eerste alinea, van richtlijn 94/65/EG.
3. Indien de keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de maatregelen, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, niet hebben geleid tot verbetering of opheffing van de geconstateerde gebreken, dan wel indien keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de artikelen 10.13, 10.14 en 10.15 anderszins niet of slechts gedeeltelijk worden nageleefd, schort de minister een op grond van artikel 10.13afgegeven of afgegeven geachte erkenning op. Opschorting geschiedt niet dan na voorafgaande waarschuwing en na het verstrijken van een daarbij te stellen termijn, waarbinnen alsnog aan de betrokken voorschriften dient te zijn voldaan.
4. Indien de geconstateerde gebreken niet binnen een daartoe bij de opschorting, bedoeld in het derde lid, gestelde termijn zijn verholpen, trekt de minister de erkenning in.