BWBR0009237
Geldig vanaf 1997-12-26
Artikel 3.1.6
Voorschriften meetmiddelen 1997
1. Een meetcuvet moet op een temperatuur worden gehouden die ligt tussen de waarden 80 °C en 110 °C, tenzij door de aanbieder bij de typekeuring onomstotelijk wordt aangetoond dat een lagere temperatuur dan wel het achterwege laten van een verwarming van dat cuvet een verwaarloosbare invloed heeft.
2. De temperatuur van het uitlaatgas moet worden bepaald met een temperatuuropnemer waarvan de positie en de responsie-snelheid zodanig zijn dat voldaan wordt aan hetgeen gesteld is in het vierde lid.
3. De opwarmtijd van de roetmeter mag niet meer bedragen dan 15 minuten bij omgevingstemperaturen boven 10 °C en niet meer dan 20 minuten voor omgevingstemperaturen boven – 10 °C. Tijdens deze opwarmtijd moeten metingen met de roetmeter niet mogelijk zijn.
4. Het meetresultaat moet zijn gecorrigeerd voor de feitelijke temperatuur van het uitlaatgas ter plaatse waar de lichtabsorptie wordt gemeten. De correctie moet zodanig nauwkeurig worden berekend, dat de absorptiecoëfficiënt wordt weergegeven voor een uitlaatgastemperatuur van 100 ± 5 °C.
2. De temperatuur van het uitlaatgas moet worden bepaald met een temperatuuropnemer waarvan de positie en de responsie-snelheid zodanig zijn dat voldaan wordt aan hetgeen gesteld is in het vierde lid.
3. De opwarmtijd van de roetmeter mag niet meer bedragen dan 15 minuten bij omgevingstemperaturen boven 10 °C en niet meer dan 20 minuten voor omgevingstemperaturen boven – 10 °C. Tijdens deze opwarmtijd moeten metingen met de roetmeter niet mogelijk zijn.
4. Het meetresultaat moet zijn gecorrigeerd voor de feitelijke temperatuur van het uitlaatgas ter plaatse waar de lichtabsorptie wordt gemeten. De correctie moet zodanig nauwkeurig worden berekend, dat de absorptiecoëfficiënt wordt weergegeven voor een uitlaatgastemperatuur van 100 ± 5 °C.