BWBR0009237
Geldig vanaf 1997-12-26
Artikel 3.8.2
Voorschriften meetmiddelen 1997
De platenremtestbank moet voldoen aan de volgende eisen:
a. de platenremtestbank moet per as voor elk afzonderlijk wiel de gemeten waarden aangeven. Zij moet op gemakkelijke wijze te bedienen zijn en op veilige wijze werken;
b. de wrijvingscoëfficiënt tussen de wielen van een op de platenremtestbank geplaatst voertuig en de platenremtestbank moet in droge toestand ten minste 0,5 bedragen;
c. de gemeten remkracht moet worden weergegeven in Newton (N);
d. de gemeten waarden moeten door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk en duidelijk worden aangegeven;
e. de aanwijs- of registratie-inrichtingen moeten: 1. zijn voorzien van een nulstelinrichting, en
2. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn;
1. zijn voorzien van een nulstelinrichting, en
2. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn;
f. het meetbereik van een platenremtestbank met digitale weergave van de gemeten waarde moet ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde omvatten waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig moeten zijn, dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is;
g. het meetbereik van een analoog aanwijzende of analoog registrerende platenremtestbank moet ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarden omvatten, waarbij de schaalverdeling ten minste op onderling gelijke afstanden, die niet groter zijn dan 20% van het meetbereik, van cijfers moet zijn voorzien. De totale lengte van de schaalverdeling, gemeten langs de cirkel die het midden van de deelstrepen verbindt, moet bij een aanwijzende inrichting ten minste 0,15 m en bij een registrerende inrichting ten minste 0,07 m bedragen. Een waarde ter grootte van 2% van het meetbereik van de inrichting moet nog gemakkelijk zijn af te lezen;
h. demping en eigen frequentie van de platenremtestbank moeten zodanig zijn, dat de maximale fouten, bedoeld onder m, niet worden overschreden zolang de toename per tijdseenheid van de gemeten waarde niet de door de fabrikant van de platenremtestbank opgegeven grenswaarde te boven gaat;
i. de platenremtestbank en een daaraan gekoppelde inrichting voor de verwerking van meetgegevens moeten beveiligd zijn tegen of voldoende ongevoelig zijn voor de onder normale omstandigheden voorkomende thermische, atmosferische, elektrische, magnetische en elektromagnetische invloeden;
j. een analoog registrerende platenremtestbank moet zodanig zijn uitgevoerd dat afwijkingen als gevolg van mogelijke positieverandering van het registratieblad ten hoogste 1% van het meetbereik van de platenremtestbank bedragen. Indien de gemeten waarde wordt geregistreerd in afhankelijkheid van de tijd moet de transportsnelheid van het blad ten minste 0,005 m/s bedragen en mag de transportsnelheid niet meer dan 5% afwijken van de nominale waarde daarvan. Bij cirkelvormige bladen wordt als transportsnelheid aangemerkt de omtreksnelheid, gemeten aan de binnencirkel van het registratieveld;
k. de weergave van de gemeten waarde die uiterlijk 0,5 seconde nadat de meting is begonnen, wordt verkregen, wordt als maatgevend beschouwd;
l. de maximale fout in plus en in min, van de aangewezen remkracht bedraagt: 1. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht: I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
2. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht: I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
3. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van beide hiervoor bedoelde groepen voertuigen, voor het gedeelte van het meetbereik dat bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht: I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht; en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht; en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
1. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht: I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
2. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht: I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
3. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van beide hiervoor bedoelde groepen voertuigen, voor het gedeelte van het meetbereik dat bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht: I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht; en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht; en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
m. bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld onder 1.
a. de platenremtestbank moet per as voor elk afzonderlijk wiel de gemeten waarden aangeven. Zij moet op gemakkelijke wijze te bedienen zijn en op veilige wijze werken;
b. de wrijvingscoëfficiënt tussen de wielen van een op de platenremtestbank geplaatst voertuig en de platenremtestbank moet in droge toestand ten minste 0,5 bedragen;
c. de gemeten remkracht moet worden weergegeven in Newton (N);
d. de gemeten waarden moeten door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk en duidelijk worden aangegeven;
e. de aanwijs- of registratie-inrichtingen moeten: 1. zijn voorzien van een nulstelinrichting, en
2. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn;
1. zijn voorzien van een nulstelinrichting, en
2. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn;
f. het meetbereik van een platenremtestbank met digitale weergave van de gemeten waarde moet ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde omvatten waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig moeten zijn, dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is;
g. het meetbereik van een analoog aanwijzende of analoog registrerende platenremtestbank moet ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarden omvatten, waarbij de schaalverdeling ten minste op onderling gelijke afstanden, die niet groter zijn dan 20% van het meetbereik, van cijfers moet zijn voorzien. De totale lengte van de schaalverdeling, gemeten langs de cirkel die het midden van de deelstrepen verbindt, moet bij een aanwijzende inrichting ten minste 0,15 m en bij een registrerende inrichting ten minste 0,07 m bedragen. Een waarde ter grootte van 2% van het meetbereik van de inrichting moet nog gemakkelijk zijn af te lezen;
h. demping en eigen frequentie van de platenremtestbank moeten zodanig zijn, dat de maximale fouten, bedoeld onder m, niet worden overschreden zolang de toename per tijdseenheid van de gemeten waarde niet de door de fabrikant van de platenremtestbank opgegeven grenswaarde te boven gaat;
i. de platenremtestbank en een daaraan gekoppelde inrichting voor de verwerking van meetgegevens moeten beveiligd zijn tegen of voldoende ongevoelig zijn voor de onder normale omstandigheden voorkomende thermische, atmosferische, elektrische, magnetische en elektromagnetische invloeden;
j. een analoog registrerende platenremtestbank moet zodanig zijn uitgevoerd dat afwijkingen als gevolg van mogelijke positieverandering van het registratieblad ten hoogste 1% van het meetbereik van de platenremtestbank bedragen. Indien de gemeten waarde wordt geregistreerd in afhankelijkheid van de tijd moet de transportsnelheid van het blad ten minste 0,005 m/s bedragen en mag de transportsnelheid niet meer dan 5% afwijken van de nominale waarde daarvan. Bij cirkelvormige bladen wordt als transportsnelheid aangemerkt de omtreksnelheid, gemeten aan de binnencirkel van het registratieveld;
k. de weergave van de gemeten waarde die uiterlijk 0,5 seconde nadat de meting is begonnen, wordt verkregen, wordt als maatgevend beschouwd;
l. de maximale fout in plus en in min, van de aangewezen remkracht bedraagt: 1. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht: I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
2. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht: I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
3. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van beide hiervoor bedoelde groepen voertuigen, voor het gedeelte van het meetbereik dat bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht: I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht; en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht; en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
1. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht: I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
2. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht: I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
3. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van beide hiervoor bedoelde groepen voertuigen, voor het gedeelte van het meetbereik dat bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht: I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht; en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht; en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
m. bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld onder 1.