BWBR0009237
Geldig vanaf 1997-12-26
Artikel 3.1.7
Voorschriften meetmiddelen 1997
1. Een in de uitlaat van het motorrijtuig gebrachte sonde mag geen merkbare invloed hebben op de motorwerking.
2. Een in de uitlaat geplaatste sonde moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan indien de opening van de sonde zich op een afstand van tenminste 5 mm van de wand van de uitlaat bevindt.
3. Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10°C dan wel 5°C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied als bedoeld in artikel 1.13, vierde lid, geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.
2. Een in de uitlaat geplaatste sonde moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan indien de opening van de sonde zich op een afstand van tenminste 5 mm van de wand van de uitlaat bevindt.
3. Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10°C dan wel 5°C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied als bedoeld in artikel 1.13, vierde lid, geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.