BWBR0009237
Geldig vanaf 1997-12-26
Artikel 3.1.8
Voorschriften meetmiddelen 1997
1. De roetmeter moet ten minste in de twee volgende functiestanden kunnen worden ingesteld:
a. de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming): in deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven. In deze functiestand moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en de controle plaats kunnen vinden bedoeld in artikel 3.1.3, onderdeel c;
b. de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming): in deze functiestand moet de gecorrigeerde waarde voor absorptiecoëfficiënt van de roetpiek zoals deze zich in de acceleratiefase voordoet worden weergegeven.
2. De roetmeter mag zijn voorzien van een functiestand “ONGEFILTERDE PIEKWAARDE”, waarin de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt wordt aangewezen, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter. In dat geval moet op de registratie het gebruik van deze functiestand zijn aangegeven.
3. Andere functiestanden en aanwijzingen zijn toegestaan, mits deze geen aanleiding tot misleiding of misvatting geven.
a. de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming): in deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven. In deze functiestand moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en de controle plaats kunnen vinden bedoeld in artikel 3.1.3, onderdeel c;
b. de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming): in deze functiestand moet de gecorrigeerde waarde voor absorptiecoëfficiënt van de roetpiek zoals deze zich in de acceleratiefase voordoet worden weergegeven.
2. De roetmeter mag zijn voorzien van een functiestand “ONGEFILTERDE PIEKWAARDE”, waarin de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt wordt aangewezen, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter. In dat geval moet op de registratie het gebruik van deze functiestand zijn aangegeven.
3. Andere functiestanden en aanwijzingen zijn toegestaan, mits deze geen aanleiding tot misleiding of misvatting geven.