BWBR0009237
Geldig vanaf 1997-12-26
Artikel 3.11.8
Voorschriften meetmiddelen 1997
1. De in artikel 3.11.7, genoemde maximale fouten onder gebruiksomstandigheden, mogen onder de volgende condities niet worden overschreden:
a. de in artikel 1.13, derde lid, genoemde gebruiksomstandigheden;
b. relatieve luchtvochtigheid: tot 90% R.V.;
c. atmosferische druk: (860 – 1060) hPa.
2. De keuringen, met uitzondering van onderzoek naar de invloed van temperatuur, luchtvochtigheid, luchtdruk en voedingsspanning en – frequentie, in het kader van typekeuringen, worden uitgevoerd onder de volgende omstandigheden:
a. temperatuur (20 ± 2) °C;
b. relatieve luchtvochtigheid: (55 ± 5)% R.V.;
c. atmosferische druk: stabiele omgevingsdruk;
d. nominale voedingsspanning ± 2%;
e. nominale frequentie van de voedingsspanning ± 1%.
3. De invloed van andere gascomponenten dan het te meten gas mag niet groter zijn dan de helft van de maximale fout onder gebruiksomstandigheden, indien deze andere gassen ten hoogste in de volgende volume-delen voorkomen: 16% vol CO₂, 6% vol CO, 10% vol O₂, 5% vol H₂, 0,3% vol NO, 2000 ppm vol HC (als n-hexaan) en waterdamp tot verzadiging.
4. De volgende verstoringen mogen geen invloed hebben die groter is dan de maximale fout bij eerste keuring onder gebruiksomstandigheden of moeten automatisch door het instrument worden gedetecteerd en aangegeven:
a. de in artikel 1.18 genoemde invloeden;
b. mechanische schokken, veroorzaakt door een vrije val over 25 mm door een der hoekpunten op een vast oppervlak.
5. Bij de meting van:
a. CO, CO2 en HC moet een instrument, met inbegrip van het bijbehorende systeem voor gasbehandeling, bij onderzoek met standaard gasmengsels binnen 15 seconde 95% van de uiteindelijke waarde aanwijzen;
b. O2 moet een instrument, na overschakeling van lucht op een zuurstof-vrij standaard gasmengsel, binnen 60 seconde een waarde aanwijzen die een afwijking heeft van minder dan 0,1% vol ten opzichte van de uiteindelijke waarde.
6. Na afloop van de opwarmtijd moet het instrument voldoen aan de metrologische eisen volgens dit voorschrift. De instrumenten moeten zijn voorzien van een voorziening waardoor wordt voorkomen dat er een aanwijzing van gemeten gascomponenten plaatsvindt gedurende de opwarmtijd.
7. Het bestanddeel hydrocarbonaten moet worden uitgedrukt in ppm vol n-hexaan (C₆H₁₄) equivalent. De justering mag worden uitgevoerd met behulp van propaan (C2H2). Daartoe moet een conversie-factor, die wordt aangeduid als ‘C₃/C₆-factor’ of ‘PEF’ (Propaan-equivalentiefactor), permanent en duidelijk zichtbaar op het instrument zijn aangebracht, dan wel eenvoudig zijn op te roepen op de aanwijzing. De waarde van deze conversiefactor moet door de fabrikant voor elk instrument worden opgegeven in drie significante cijfers. Als de gassensor wordt vervangen of gerepareerd, moet een nieuwe conversiefactor op het instrument worden aangebracht.
8. Instrumenten die zijn uitgevoerd met een aanwijzing van de lambda-waarde, moeten de betreffende berekening uitvoeren met behulp van de volgende formule:
Hierin geldt:
9. Bij normaal gebruik van het instrument mogen de meetresultaten, na justering met een kalibratie-gas of de interne justeerinrichting, de maximale fouten die gelden onder gebruiksomstandigheden gedurende ten minste 4 uur niet overschrijden, zonder dat gedurende deze periode gebruik wordt gemaakt van een kalibratie-gas of interne justering door de gebruiker. Indien het instrument is uitgerust met een methode voor drift-compensatie, zoals een automatische nulstelling of een automatische interne justering, mag de werking van deze justeringen geen aanwijzing veroorzaken die kan leiden tot verwarring met een meting van een extern gas.
10. Indien door dezelfde persoon met hetzelfde instrument binnen relatief korte tijd 20 opeenvolgende metingen aan hetzelfde standaard gasmengsel worden uitgevoerd, mag de standaarddeviatie van deze 20 resultaten niet groter zijn dan een derde van de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout onder gebruiksomstandigheden.
a. de in artikel 1.13, derde lid, genoemde gebruiksomstandigheden;
b. relatieve luchtvochtigheid: tot 90% R.V.;
c. atmosferische druk: (860 – 1060) hPa.
2. De keuringen, met uitzondering van onderzoek naar de invloed van temperatuur, luchtvochtigheid, luchtdruk en voedingsspanning en – frequentie, in het kader van typekeuringen, worden uitgevoerd onder de volgende omstandigheden:
a. temperatuur (20 ± 2) °C;
b. relatieve luchtvochtigheid: (55 ± 5)% R.V.;
c. atmosferische druk: stabiele omgevingsdruk;
d. nominale voedingsspanning ± 2%;
e. nominale frequentie van de voedingsspanning ± 1%.
3. De invloed van andere gascomponenten dan het te meten gas mag niet groter zijn dan de helft van de maximale fout onder gebruiksomstandigheden, indien deze andere gassen ten hoogste in de volgende volume-delen voorkomen: 16% vol CO₂, 6% vol CO, 10% vol O₂, 5% vol H₂, 0,3% vol NO, 2000 ppm vol HC (als n-hexaan) en waterdamp tot verzadiging.
4. De volgende verstoringen mogen geen invloed hebben die groter is dan de maximale fout bij eerste keuring onder gebruiksomstandigheden of moeten automatisch door het instrument worden gedetecteerd en aangegeven:
a. de in artikel 1.18 genoemde invloeden;
b. mechanische schokken, veroorzaakt door een vrije val over 25 mm door een der hoekpunten op een vast oppervlak.
5. Bij de meting van:
a. CO, CO2 en HC moet een instrument, met inbegrip van het bijbehorende systeem voor gasbehandeling, bij onderzoek met standaard gasmengsels binnen 15 seconde 95% van de uiteindelijke waarde aanwijzen;
b. O2 moet een instrument, na overschakeling van lucht op een zuurstof-vrij standaard gasmengsel, binnen 60 seconde een waarde aanwijzen die een afwijking heeft van minder dan 0,1% vol ten opzichte van de uiteindelijke waarde.
6. Na afloop van de opwarmtijd moet het instrument voldoen aan de metrologische eisen volgens dit voorschrift. De instrumenten moeten zijn voorzien van een voorziening waardoor wordt voorkomen dat er een aanwijzing van gemeten gascomponenten plaatsvindt gedurende de opwarmtijd.
7. Het bestanddeel hydrocarbonaten moet worden uitgedrukt in ppm vol n-hexaan (C₆H₁₄) equivalent. De justering mag worden uitgevoerd met behulp van propaan (C2H2). Daartoe moet een conversie-factor, die wordt aangeduid als ‘C₃/C₆-factor’ of ‘PEF’ (Propaan-equivalentiefactor), permanent en duidelijk zichtbaar op het instrument zijn aangebracht, dan wel eenvoudig zijn op te roepen op de aanwijzing. De waarde van deze conversiefactor moet door de fabrikant voor elk instrument worden opgegeven in drie significante cijfers. Als de gassensor wordt vervangen of gerepareerd, moet een nieuwe conversiefactor op het instrument worden aangebracht.
8. Instrumenten die zijn uitgevoerd met een aanwijzing van de lambda-waarde, moeten de betreffende berekening uitvoeren met behulp van de volgende formule:
Hierin geldt:
9. Bij normaal gebruik van het instrument mogen de meetresultaten, na justering met een kalibratie-gas of de interne justeerinrichting, de maximale fouten die gelden onder gebruiksomstandigheden gedurende ten minste 4 uur niet overschrijden, zonder dat gedurende deze periode gebruik wordt gemaakt van een kalibratie-gas of interne justering door de gebruiker. Indien het instrument is uitgerust met een methode voor drift-compensatie, zoals een automatische nulstelling of een automatische interne justering, mag de werking van deze justeringen geen aanwijzing veroorzaken die kan leiden tot verwarring met een meting van een extern gas.
10. Indien door dezelfde persoon met hetzelfde instrument binnen relatief korte tijd 20 opeenvolgende metingen aan hetzelfde standaard gasmengsel worden uitgevoerd, mag de standaarddeviatie van deze 20 resultaten niet groter zijn dan een derde van de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout onder gebruiksomstandigheden.