BWBR0009237
Geldig vanaf 1997-12-26
Artikel 3.9.1
Voorschriften meetmiddelen 1997
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. koolmonoxidemeter: een meetmiddel dat bestemd is voor het meten van het koolmonoxidegehalte van uitlaatgassen, afkomstig van met stationair toerental draaiende motoren met elektrische ontsteking van in gebruik zijnde motorrijtuigen, welk meetmiddel het meetresultaat direct in volumeprocenten aangeeft, al dan niet tezamen met het volumegehalte van andere, in de uitlaatgassen voorkomende bestanddelen;
b. monsternamesysteem: het monsternamesysteem omvat alle onderdelen die worden gebruikt om de motoruitlaatgassen op te vangen en naar de koolmonoxidemeter over te brengen;
c. condensaatafscheider: de condensaatafscheider omvat alle onderdelen die worden gebruikt om gecondenseerde waterdamp uit de uitlaatgassen af te scheiden;
d. filtersysteem: het filtersysteem omvat alle onderdelen die worden gebruikt om die deeltjes uit het uitlaatgas te verwijderen die de juiste werking van de meetcel kunnen verstoren;
e. nulstelinrichting: de inrichting waarmee de aanwijzing van de koolmonoxidemeter, bij doorvoering van een gas dat geen koolmonoxyde bevat, op nul kan worden gesteld;
f. justeerinrichting: de inrichting waarmee de justering van de koolmonoxidemeter bij een vaste waarde, referentiepunt genoemd, kan worden verricht;
g. kalibratie-inrichting: de inrichting waarmee de aanwijzing van de koolmonoxidemeter, bij doorvoering van een kalibratiegas, in overeenstemming met de waarde van de te meten grootheid kan worden gebracht;
h. opwarmtijd: de door de fabrikant van de koolmonoxidemeter gegeven tijd gedurende welke de koolmonoxidemeter, alvorens te mogen worden afgesteld of gebruikt, onder elektrische spanning moet staan;
i. responsietijd: de tijd die verloopt na een plotselinge wijziging van de te meten grootheid bij de inlaat van het monsternamesysteem tot de koolmonoxidemeter een aanwijzing geeft waarvan het verschil ten opzichte van de definitieve aanwijzing van de nieuwe waarde van de grootheid niet meer bedraagt dan een gegeven waarde;
j. minimale debiet: het debiet beneden hetwelk de aanwijzing van de koolmonoxidemeter een fout kan vertonen die groter is dan de maximale fout;
k. minimale meettijd: de tijd die ten minste verloopt tussen het moment van inbrengen van het monsternamesysteem in de uitlaat en het moment waarop de definitieve aanwijzing van de te meten grootheid is bereikt;
l. meetbereik: het gebied van de waarden van de te meten grootheid waarbij de aanwijzingen van de koolmonoxidemeter die onder normale omstandigheden in één enkele meting zijn verkregen, geen grotere fout mogen vertonen dan de maximale fout;
m. kalibratiegas: een gasmengsel waarvan de samenstelling in de concentratie van elke component met een voldoende nauwkeurigheid bekend zijn om te worden gebruikt bij de kalibratie en justering van een koolmonoxidemeter;
n. drift: de variatie van de metrologische eigenschappen van koolmonoxidemeters onder normale gebruiksomstandigheden gedurende redelijk lange tijd;
o. elektronische inrichting: een deel of het geheel van een koolmonoxidemeter of van een hulpinrichting daarvan, waarin gebruik wordt gemaakt van elektronische componenten en dat een specifieke functie vervult en onafhankelijk kan worden gecontroleerd;
p. elektronische inrichting met volledige controle: een elektronische inrichting is voorzien van een volledige controle, indien storingen van de essentiële functies van de elektronische inrichting worden gedetecteerd en gesignaleerd;
q. elektronische inrichting zonder controle of met gedeeltelijke controle: een inrichting die niet volledig wordt gecontroleerd als omschreven in onderdeel p;
r. automatische en permanente controle (P): een controle die het mogelijk maakt zonder menselijke tussenkomst de juiste werking van elektronische inrichtingen tijdens een meting, hetzij continu, hetzij discontinu te controleren, opdat ook in het laatstgenoemde geval elke storing wordt gedetecteerd;
s. automatische en tussentijdse controle (I): een controle die het mogelijk maakt zonder menselijke tussenkomst op cyclische wijze de juiste werking van elektronische inrichtingen te controleren;
t. niet-automatische controle (N): een controle die het mogelijk maakt via menselijke tussenkomst de juiste werking van elektronische inrichtingen te controleren.
2. De in deze paragraaf gestelde eisen zijn slechts van toepassing op koolmonoxidemeters die vóór 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen.
3. Koolmonoxidemeters behoeven niet te voldoen aan het bepaalde in paragraaf 2.3 en 3van hoofdstuk 1, met uitzondering van artikel 1.14en 1.15.
a. koolmonoxidemeter: een meetmiddel dat bestemd is voor het meten van het koolmonoxidegehalte van uitlaatgassen, afkomstig van met stationair toerental draaiende motoren met elektrische ontsteking van in gebruik zijnde motorrijtuigen, welk meetmiddel het meetresultaat direct in volumeprocenten aangeeft, al dan niet tezamen met het volumegehalte van andere, in de uitlaatgassen voorkomende bestanddelen;
b. monsternamesysteem: het monsternamesysteem omvat alle onderdelen die worden gebruikt om de motoruitlaatgassen op te vangen en naar de koolmonoxidemeter over te brengen;
c. condensaatafscheider: de condensaatafscheider omvat alle onderdelen die worden gebruikt om gecondenseerde waterdamp uit de uitlaatgassen af te scheiden;
d. filtersysteem: het filtersysteem omvat alle onderdelen die worden gebruikt om die deeltjes uit het uitlaatgas te verwijderen die de juiste werking van de meetcel kunnen verstoren;
e. nulstelinrichting: de inrichting waarmee de aanwijzing van de koolmonoxidemeter, bij doorvoering van een gas dat geen koolmonoxyde bevat, op nul kan worden gesteld;
f. justeerinrichting: de inrichting waarmee de justering van de koolmonoxidemeter bij een vaste waarde, referentiepunt genoemd, kan worden verricht;
g. kalibratie-inrichting: de inrichting waarmee de aanwijzing van de koolmonoxidemeter, bij doorvoering van een kalibratiegas, in overeenstemming met de waarde van de te meten grootheid kan worden gebracht;
h. opwarmtijd: de door de fabrikant van de koolmonoxidemeter gegeven tijd gedurende welke de koolmonoxidemeter, alvorens te mogen worden afgesteld of gebruikt, onder elektrische spanning moet staan;
i. responsietijd: de tijd die verloopt na een plotselinge wijziging van de te meten grootheid bij de inlaat van het monsternamesysteem tot de koolmonoxidemeter een aanwijzing geeft waarvan het verschil ten opzichte van de definitieve aanwijzing van de nieuwe waarde van de grootheid niet meer bedraagt dan een gegeven waarde;
j. minimale debiet: het debiet beneden hetwelk de aanwijzing van de koolmonoxidemeter een fout kan vertonen die groter is dan de maximale fout;
k. minimale meettijd: de tijd die ten minste verloopt tussen het moment van inbrengen van het monsternamesysteem in de uitlaat en het moment waarop de definitieve aanwijzing van de te meten grootheid is bereikt;
l. meetbereik: het gebied van de waarden van de te meten grootheid waarbij de aanwijzingen van de koolmonoxidemeter die onder normale omstandigheden in één enkele meting zijn verkregen, geen grotere fout mogen vertonen dan de maximale fout;
m. kalibratiegas: een gasmengsel waarvan de samenstelling in de concentratie van elke component met een voldoende nauwkeurigheid bekend zijn om te worden gebruikt bij de kalibratie en justering van een koolmonoxidemeter;
n. drift: de variatie van de metrologische eigenschappen van koolmonoxidemeters onder normale gebruiksomstandigheden gedurende redelijk lange tijd;
o. elektronische inrichting: een deel of het geheel van een koolmonoxidemeter of van een hulpinrichting daarvan, waarin gebruik wordt gemaakt van elektronische componenten en dat een specifieke functie vervult en onafhankelijk kan worden gecontroleerd;
p. elektronische inrichting met volledige controle: een elektronische inrichting is voorzien van een volledige controle, indien storingen van de essentiële functies van de elektronische inrichting worden gedetecteerd en gesignaleerd;
q. elektronische inrichting zonder controle of met gedeeltelijke controle: een inrichting die niet volledig wordt gecontroleerd als omschreven in onderdeel p;
r. automatische en permanente controle (P): een controle die het mogelijk maakt zonder menselijke tussenkomst de juiste werking van elektronische inrichtingen tijdens een meting, hetzij continu, hetzij discontinu te controleren, opdat ook in het laatstgenoemde geval elke storing wordt gedetecteerd;
s. automatische en tussentijdse controle (I): een controle die het mogelijk maakt zonder menselijke tussenkomst op cyclische wijze de juiste werking van elektronische inrichtingen te controleren;
t. niet-automatische controle (N): een controle die het mogelijk maakt via menselijke tussenkomst de juiste werking van elektronische inrichtingen te controleren.
2. De in deze paragraaf gestelde eisen zijn slechts van toepassing op koolmonoxidemeters die vóór 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen.
3. Koolmonoxidemeters behoeven niet te voldoen aan het bepaalde in paragraaf 2.3 en 3van hoofdstuk 1, met uitzondering van artikel 1.14en 1.15.