Artikel 1
1. Deze wet verstaat onder banken van leening alle inrichtingen, waar gewoonte wordt gemaakt van het in ontvangst nemen van roerende zaken tegen afgifte van geld en het weder afgeven van die zaken tegen ontvangst van geld of andere roerende zaken aan houders van bij de ontvangst van de roerende zaken afgegeven geschreven of andere stukken of andere voorwerpen.
2. Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing op inrichtingen, waar uitsluitend geld tot een hooger bedrag dan € 11,34 op een onderpand wordt verstrekt.
3. Deze wet verstaat onder pand de roerende zaak, die in een bank van leening in ontvangst wordt genomen tegen afgifte van geld; onder beleensom het afgegeven geld; onder beleening de afgifte van geld tegen het in ontvangst nemen van een roerende zaak.
2. Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing op inrichtingen, waar uitsluitend geld tot een hooger bedrag dan € 11,34 op een onderpand wordt verstrekt.
3. Deze wet verstaat onder pand de roerende zaak, die in een bank van leening in ontvangst wordt genomen tegen afgifte van geld; onder beleensom het afgegeven geld; onder beleening de afgifte van geld tegen het in ontvangst nemen van een roerende zaak.