BWBR0001880
Geldig vanaf 1910-12-12
Artikel 24
Pandhuiswet 1910
1. Verkoop van panden geschiedt in het openbaar na openbare aankondiging ten minste veertien dagen te voren, in een of meer nieuwsbladen van de gemeente, of, bij gebreke daarvan, in een of meer nieuwsbladen van naburige gemeenten, alsmede door aanplakking aan het gebouw van de bank. Bij die aankondiging worden vermeld de maanden, waarin de pandbewijzen, welke betrekking hebben op de panden, die verkocht zullen worden, zijn afgegeven. De panden worden vóór de verkooping tenminste één dag ter bezichtiging gesteld.
2. De houder van de bank is verplicht te waken voor een ordelijken gang van de verkooping en er voor te zorgen, dat de bezichtiging van de panden behoorlijk kan plaats hebben.
3. Een pand kan bij de verkooping worden opgehouden, indien het niet tenminste het bedrag van de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, kan opbrengen. Het kan daarna ondershands worden verkocht.
2. De houder van de bank is verplicht te waken voor een ordelijken gang van de verkooping en er voor te zorgen, dat de bezichtiging van de panden behoorlijk kan plaats hebben.
3. Een pand kan bij de verkooping worden opgehouden, indien het niet tenminste het bedrag van de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, kan opbrengen. Het kan daarna ondershands worden verkocht.